DE ZAAK HIL SCHIPPER.
In een blaadje genaamd CARROUSEL wat in 1960 verscheen zijn een aantal artikelen opgenomen over Hil Schipper, Commandant Afwerp Terreinen (C.A.T.) welke als zodanig door geheim agent Tobias Biallosterski was benoemd. Vijftien jaar na de oorlog verscheen dit blaadje in Noord-Holland, met advertenties die over het algemeen betrekking hebben op Den Haag en het lijkt op een soort afrekening. Wel moet gezegd worden dat het lijkt dat voor het schrijven van één de stukken degelijk onderzoek gedaan is. Door wie? Ik heb geen idee.

Carrousel is maar vijf keer verschenen en naar verluidt zijn de uitgegeven bladen in beslag genomen en verdere uitgave werd verboden. Wie zat hier achter? Waarschijnlijk kopstukken uit het verzet in Noord-Holland, maar wie is niet bekend. Dit stuk barst van de fouten en hier is slecht onderzoek gedaan.



CARROUSEL No.1-26 november 1960.

DRAMA GEWETENLOZE MOORD.


DE MAN DIE OVER LIJKEN GING.

C-3, zo werd de boerderij aan de Zomerdijk, no. 28 te Spanbroek genoemd, waarachter de executies werden voltrokken. Het was het woonhuis van de familie Schipper, de oude Joep, 'Manke Piet', Hil en Theo. het uitgestrekte stuk land achter hun huis zou later gebruikt worden voor de dropping van wapens, maar dat gebeurde pas veel later.

Fout, het was het land van Jan Schipper, een oom van Hil, wat als droppingsveld gebruikt werd.

Tot ver in 1942 was C-3 een smokkelhol, dat de ergernis opwekte van alle boeren in de omgeving. Varkens, werden als het donker was opgehaald door de Duitsers en door hen duur betaald.

Juist vrijwel alle boeren, op twee na, waren betrokken bij de wapendroppings, dat zou men toch niet doen als men zich ergerde aan Hil Schipper?


Zo leefden de Schippers voor 'Volk en Vaderland' voordat de vrome geest van het verzet op hen neerdaalde.


ZWARTE PAUS.

Het genie in hun midden was Hil. Vroeger priesterstudent geweest, liep hij ook de eerste jaren van de oorlog nog altijd in een witte toog met rode sjerp als een soort onbevlekte ontvangenis.

Wanneer is hij met die studie gestopt?

Onder die toog smokkelde hij spek en koffie.

Voor wie?

Eerwaarde Schipper scheen aldus een eerbiedwaardig man. Hij was de slimste. Hij zou ook altijd de slimste blijven. Zelfs voor zijn broer 'Manke Piet' wist hij een maandelijkse uitkering als oorlogsslachtoffer los te krijgen, terwijl 'Manke Piet' al voor de oorlog zijn gebrek had.
Toen bij de eerste dropping op hun land twee Engelse agenten meekwamen en één van hen aan Hil Schipper vroeg wie is hier de baas was, antwoordde hij: "Ik".

Deze Engelse agenten waren de Nederlanders Tobias Biallosterski (Hans) en Pieter de Vos (Bram). Waarschijnlijk heeft Tobias in zijn rol als organisator de vraag gesteld wie de baas was.

Vanaf dat ogenblik was hij Commandant Afwerp terreinen, kortweg de C.A.T. De grote smokkelaar van Spanbroek, de slimmerik, bijgenaamd 'De zwarte Paus' (vanwege zijn zwarthandel in priesterkleding) door de inwoners van omringende plaatsen nog steeds 'De wijze uit het Oosten" genoemd, deze man werd ineens de grote illegale verzetsheld. Het kostte hem geen moeite met zijn intelligentie en iets bredere ontwikkeling een groot deel van de allang bestaande ondergrondse verzetsbeweging aan zich te onderwerpen.

Prins Bernhard vaardigde vanuit Londen de order uit dat de B.S. gevormd moest worden door alle verzetsbewegingen samen te voegen. Deze samenvoeging komt dus niet op Hil Schipper's conto.

Nummero 28 aan de Zomerdijk werd in de geheimtaal van het verzet C-3: de commandopost, waar het genie van Spanbroek zetelde en waar mensen werden geëxecuteerd omdat zij in de weg liepen. Maar zijn vroegere medestrijders zeggen over hem: "De CAT was geen held. Bij droppings was hij zelf nooit aanwezig. Als er geschoten werd, lag Hil Schipper drie kilometer verderop in zijn witte toog ergens onder een divan. De CAT was bang voor muizen".

Bij elke dropping bevond zich een container met zogenaamde 'geheime stukken'. Deze container moest met de grootste zorg naar de CAT gebracht worden, die zich er met liefde over ontfermde. Later bleek dat er sigaretten, whisky en snoepgoed inzat voor de jongens, die daar buiten in de duisternis hun leven riskeerden.

Ook dit klopt niet, uit getuigenverslagen blijkt dat de jongens wel degelijk hun deel kregen van mee gedropte waren. De bovengenoemde 'geheime stukken' bestonden wel, het waren code boeken, nieuwe zendschema's en geld.

De parachutes, die na de oorlog gelijk zouden worden verdeeld, bleken door de 'Zwarte Paus' te zijn verkocht: niemand van zijn medestrijders heeft ooit een parachute gezien, behalve zijn familieleden. Toen de knokploeg bij een zwarthandelaar een koe in beslag nam, deze slachtte en naar het ziekenhuis in Haarlem liet brengen, kregen zij van dit ziekenhuis uit dankbaarheid sigarettenvloeitjes. Later werd duidelijk, dat er ook shag bij was geweest, maar deze had de CAT niet doorgegeven. Kleine voorvalletjes, die het karakter typeren van de man, die leiding moest geven aan het verzet, leiding geven bij heldendaden, die behoorden te steunen op moed, trouw en eerlijkheid.

Wie nu (
1960) in Spanbroek over hem praat, kan slechts spot en minachting beluisteren in de toon waarop over hem wordt gesproken. De Spanbroekers zeggen: "Wie vieze zaakjes heeft, gaat naar Hil Schipper".

Jongens, die in militaire dienst moesten, betaalden de CAT vijfhonderd tot duizend Gulden, waarna zij prompt via een corrupte ambtenaar in Den Haag vrijstelling kregen.

Zijn grote vriend en beschermer (die hij via Tobias Biallosterki heeft leren kennen) was oud-minister Mansholt, die in de oorlog op zijn boerderij in de Wieringermeer ook al de aanschijn van een grote illegale held had. ("Als je als koerierster met een levensgevaarlijke boodschap door sneeuw, regen en wind bij hem kwam, mocht je je even warmen in de paardenstal", vertelde onlangs nog een van de oud-verzetsstrijders. - "Dat was onze sociaal-voelende minister Mansholt: "Je riskeerde je leven voor zijn paardenstal".

Na de oorlog was Hil Schipper de grote verzetsman. Hij werd onderscheiden voor zijn moed, beleid en trouw, voor zijn onbaatzuchtige hulp aan het vaderland. Maar tegelijk diende hij een verzoek tot schadevergoeding in omdat door de regelmatige droppings op zijn land de landbouw stil zou hebben gelegen. Hij vroeg Fl. 120.000 waarbij een post voorkwam van Fl. 5000, - aardappelkisten. In werkelijkheid vonden de droppingen plaats op een klein stukje grasland, zodat de landbouw nauwelijks hinder ondervond. De Fl. 30.000 voorschot, die hij niettemin los had weten te krijgen, moest hij later - ondanks zijn sluwheid - toch weer terugbetalen. Dat was de grote klap voor de slimme CAT. De man, die zich nu siert met de nietszeggende betiteling 'economisch adviseur' en die loert op failliete boedels. "Ik ben voor niemand bang", riep hij uit, toen hij hoorde, dat Carrousel de geschiedenis van zijn heldendaden wilde publiceren. "Laat die journalist maar oppassen. Ik zal hem breken". In Spanbroek fluisteren ze: "De CAT heeft machtige beschermers in Den Haag. Er gebeuren genoeg wonderlijke dingen om dat te kunnen geloven".

Deze man was mede-verantwoordelijk voor het 'liquideren' van landgenoten. "Ik was de enige. die liquidatie bevoegdheid had" zei hij nog onlangs, maar niemand weet van wie hij die dan had gekregen. Als dit waar is en als het ook juist is, dat sommigen zijn mensen liquidaties hebben verricht buiten zijn medeweten om, dan betekent dit, dat deze man niet geschikt was voor zijn verantwoordelijke functie. Al zal iedereen betwijfelen of het mogelijk is, dat in zijn huis mensen werden voorbereid op hun executie, op zijn erf werden neergeschoten en op zijn land begraven zijn, zonder dat hij dit opgemerkt zou hennen.

Eén van de Engelse agenten (
Tobias) werd later, samen met vijf andere illegale werkers in Wognum gearresteerd en door de Landwacht opgesloten in het Gemeentehuis. 's Morgens om half tien wisten de Schippers hiervan en zou het voor de K.P. een kleine moeite zijn geweest om de gevangenen te bevrijden. Niettemin, pas om half twaalf werd dit bericht door de Schippers doorgegeven aan de Knokploeg. Op dat ogenblik waren de gevangenen al overgebracht naar Obdam en liep een tot bevrijding op niets uit. De zes verzetsstrijders werden later in Limmen doodgeschoten.

Dit is onjuist. Wie waren hierbij betrokken: 1. Tobias Biallosterski, 2. Gerard du Celliee-Muller, 3. dr. Jan Smoorenburg, 4. dr. Frederik Haverkamp en 5. Johan Hellema. De beide artsen zijn inderdaad in Limmen doodgeschoten, Biallosterski raakte zwaar gewond, Hellema werd getroffen door een kogel in het hoofd en overleed ter plekke en Du Celliee-Muller wist te ontsnappen.

Vraag aan Hil Schipper: "Hoe wist de Landwacht van deze vergadering in Wognum?"

Er was geen vergadering in Wognum, de vrachtwagen, bestuurd door Tinus Roemer en Jan Weel, waarin zij meereden naar Amsterdam, werd door de Landwacht in Wognum aangehouden. Er waren door gebrek aan brandstof geen auto's meer op de weg, dus zo'n vrachtwagen viel meteen op.

Nog een vraag aan Hil Schipper: "Waarom werd het bericht van hun arrestatie ruim twee uur later doorgegeven, terwijl er zes mensenlevens mee gemoeid waren?"

Het waren 5 verzetsstrijders en een onschuldige voorbijganger, Cor Wijnker.

Een feit is het, dat na de dood van de Engelsman de CAT nog de enige commandant was en volkomen vrij spel had.

Ook dit is onjuist, de Nederlandse agent Tobias Biallosterski was uitgeschakeld, maar zijn werk werd vrijwel direct overgenomen door dr. Veeneklaas uit Amsterdam, die de touwtjes strak in handen hield. Daarnaast was er nog de regionale commandant, de overste Westenacker.




Als reactie op dit artikel schrijft Jan N. Weel het volgende in de Carrousel nummer 5 van 24 december 1960 het volgende onder de kop 'Nog een slachtoffer van Hil Schipper':

"In vogelvlucht heb ik uw eerste uitgave Carrousel gelezen. Voor uw hoofdartikel 'De Zwarte Paus', alias Hil Schipper heb ik bewondering, vooral ook voor de juiste weergave van enige details, temeer daar ondergetekende persoonlijk bepaalde feiten heeft meegemaakt, onder andere dat van de zes passagiers die met mij op de wagen meegingen naar Amsterdam. Daar was onder andere 'HANS' (
Biallosterski) bij, de eerste persoon die gedropt is op 'Mandrill' en die als CAT was aangesteld maar door Hil is weggedrukt". 

Biallosterski had inderdaad de opdracht om droppingsterreinen in Noord-Holland te vinden voor wapendroppings, natuurlijk ging hij uit veiligheidsoverwegingen dat niet zelf doen, daar stelde hij Hil Schipper voor aan.

"Door Hil heb ik (wilde ik van hem loskomen) zelf m'n faillissement aangevraagd. M'n geval zat niet moeilijk, maar door zijn invloed bereikt hij wat hij wil. Want voor mijn geval moest hij bewerken 2 advocaten, een notaris, een directeur van de Boerenleenbank en meerdere personen, zo zelfs dat al die 'elite' personen net als Pontius Pilatus hun handen wassen in onschuld. M'n eigen advocaat die mij geloofde heeft het voor de rechtbank in Alkmaar gebracht, maar daar heeft Hil het ter elfder ure in laten intrekken. Want voor een rechtbank daar is hij bang voor".  

Wognum, J.N. Weel.




In een volgende uitgave van Carrousel is de kop van het hoofdartikel:

VEEL TULPEN VERBLOEMEN DE LIJKEN.

Het is avond maart 1945. Aan de Zomerdijk in Spanbroek staan twee mannen gewapend met Stenguns ongeveer een paar honderd meter van elkaar verwijderd. Het is stil en donker. Tussen hen zijn de vage contouren zichtbaar van een boerderij, die vijftig meter van de weg af ligt. Dan, plotseling klinkt er in de verte ergens in het land achter de boerderij geschreeuw, geroep, een gillende stem. er valt een schot, even later gevolgd door een tweede. Daarna is het weer stil. De duisternis ligt zwaar toegevouwen over het land. Een ogenblik wachten de twee mannen, waarna zij op elkaar toelopen tot zij elkaar bij de boerderij ontmoeten. Daarna gaan zij naar binnen. Het geluid van hun voetstappen is zacht en nauwelijks in staat de stilte te verstoren. De stilte, die nu weer gevallen is over het zoveelste moord-drama achter C-3 in Spanbroek. In de duisternis, honderden meters van de weg af, valt zand op het nog warme lichaam van een dode.
Grafsteen van George Henricus Meijer op het Ereveld te Loenen. Bijschrift: Beeldengieter, gefusilleerd te Spanbroek. Steen E-1285.
Er staat niet bij door wie hij gefusilleerd is.
Enige maanden later (Nederland juicht om de bevrijding en eert onze nationale verzetshelden) komt er een gestelijke bij mevrouw Meijer-Remer in Haarlem. Zij is alleen thuis. Nerveus loopt hij in de kamer op en neer zonder te weten wat hij zeggen moet. Afwachtend kijkt de vrouw hem aan. Dan vraagt hij: "Hebt u de laatste tijd nog iets van George gehoord?" Dat is voldoende. Alles begrijpend stat de vrouw op en zegt: "Nee, maar u wel!"  Roerloos leunt zij een ogenblik op de tafel. Het is maandag. Eergisteren heeft zij in Nijmegen haar oudste zoon begraven, die daar aan een ziekte, in een concentratiekamp opgelopen, is gestorven. Nu staart zij naar de geestelijke met ogen, die weten, begrijpen. Ogen vol angst. Zij zegt: "Hij is dood!" De ander knikt. George Meijer is dood, geliquideerd door de illegalen. "Hij heeft verraad gepleegd", zegt hij.

Petronella Theodora Meijer-Remer, geboren 02-01-1898 Haarlem, overleden 04-08-1980 Beek en Donk. Gehuwd met Frans Meijer. Adres: Schreveliusstraat 2RD, Haarlem.


ALLEEN LEUGENS.

Hiermee begint een drama. Dat nog nooit een rechtvaardig slot heeft gevonden. Het drama van een gewetenloze moord. Want terwijl Nederland juicht om de bevrijding, de vlaggen van de daken wapperen en mannen in blauwe overalls worden geeerd als grote sterke helden, is er een Haarlem tenminste één vrouw die niet juicht. Zij gelooft niet in het verraad van haar op één na jongste zoon. Die kort voor het einde van de oorlog juist negentien jaar geworden was. Zij vecht, zij begint een eenzame strijd tegen corruptie, dreiging en gewetenloosheid. Zij schrijft brieven, zij eist een onderzoek. Haar oudste zoon Theo dient twee aanklachten in wegens moord, maar hij krijgt geen antwoord.


Dan gaat de vrouw zelf naar Spanbroek.

Hoe wist zij dat George in Spanbroek om het leven was gebracht?

Zij vraagt aan de vroegere illegalen waarom haar zoon doodgeschoten is, maar deze halen hun schouders op. Zij vraagt wie er geschoten heeft en opnieuw halen zij hun schouders op. Zij kennen geen George Meijer. Hun geheugen is kort; zij weten niets.
De CAT, Hil Schipper, de slimme held van Spanbroek, grijnst in zijn hol en weet zich omgeven door tot de tanden gewapende mannen.

Liep men in Spanbroek na de oorlog nog steeds gewapend rond?

Op de vraag van deze eenzame vrouw haalt ook hij zijn flinke schouders op. Hij weet van niets. Zij gaat naar boer Vlaar in Opmeer waar George was ondergedoken en vraagt waar haar zoon gebleven is. Zij wordt te woord gestaan door een zoon van van de boer en één van zijn dochters, Ali Vlaar. Maar ook zij weten niets. Zij halen hun schouders op en hullen zich in botte zwijgzaamheid.

Wie is deze Vlaar?

Een opperwachtmeester van de Rijkspolitie aan wie zij vraagt waarom haar zoon is doodgeschoten, antwoord: "Met zulke kleinigheidjes houden wij ons hier niet op"

Wie is deze opperwachtmeester? Niek Drinkwater, Ad Paling of Harry Heidekamp?

Maar Nederland juicht en wappert trots met de driekleur. En op de ministeries beginnen nijvere ambtenaren zich gereed te maken om onderscheidingen uit te reiken aan de verzetshelden.


IEDEREEN ZWIJGT.

Die vrouw in Haarlem vecht ondertussen door. Zij schrijft brieven aan luitenant J. Van Gastel van het Centraal Afwikkelingsbureau B.S. in Utrecht. Zij eist een onderzoek en dient een aanklacht in wegens moord. Zij hoort dat een geestelijke uit het Franciscanerklooster te Nieuwe-Niedorp gezworen heeft, dat zij nooit de ware reden zal weten. Zijn naam: pater Harteveld.  Zij hoort ook dat de pater Gardiaan Huissen van hetzelfde klooster, weigert te vertellen welke geestelijke hij opdracht heeft gegeven George Meijer in zijn laatste ogenblikken bij te staan. Want ook de paters Franciscanen weten meer, maar zwijgen. Zij verzwijgen een moord om het heldendom van Spanbroek zijn wankele glorie niet te ontnemen. Maar de naam van deze geestelijke wordt toch later bekend. Het is pater Steltenpool. Mevrouw Meijer-Remer gaat hem opzoeken om te vragen wat de laatste woorden waren van George voor zijn moeder. Pater Steltenpool geeft niet thuis. Hij is bang tegenover deze vrouw te moeten staan. Zij komt terug, maar opnieuw is hij niet thuis. Snel daarna vertrekt hij naar China om de naastenliefde te prediken onder de ongelovigen.

Dit was pater P. Steltenpool, hij vertrok naar Shanghai.

Vervolgens hoort zij dat George Meijer, voor hij op die donkere avond in maart werd neergeschoten, nog een brief had mogen schrijven aan zijn moeder. De blonde achttien jarige jongen schreef: "Wij zien elkaar terug na dit leven". Maar dit briefje, de laatste boodschap van een weerloos slachtoffer werd door de commandant aan stukken gescheurd. Zijn moeder heeft het nooit gekregen. Want deze brief schreef George Meijer waarom hij vermoord werd en de waarheid moest verborgen blijven.

Hoe komt de schrijver aan inhoud van het briefje, het was toch verscheurd?


DREIGEMENTEN.

Hierna gebeurde, wat later in Nederland de gewone gang van zaken zou worden om lastige personen te liquideren, de dreigementen kwamen. Mevrouw Meijer-Remer mocht op rijkskosten enige tijd tot rust komen in een tehuis te Bloemendaal. In werkelijkheid moest zij gescheiden worden van haar kinderen, die haar morele steun gaven. Daar - alleen en afgezonderd - werd zij bezocht door een marechaussee die haar adviseerde de aanklacht in te trekken.

Dit kan Drinkwater of Heidekamp zijn geweest.

"Als je het niet doet, zullen wij je smerige dingen over George vertellen", zei hij. Hij sprak over zedendelicten, diefstal, en verraad. "Als je het wel doet" aldus deze afgezant van de toenmalige Nederlandse orde, "Zal je zoon volledig eerherstel krijgen, al hij op staatskosten begraven worden en zal het rijk zijn graf onderhouden". Mevrouw Meijer-Remer knikte geschrokken dat zij hiermee accoord ging, maar diende later opnieuw een aanklacht in. De procureur-generaal te Amsterdam droeg het onderzoek op aan de officier van Justitie te Alkmaar, maar nog steeds, het was inmiddels 1947, wist nog niemand waarom George Meijer door de helden van de Zomerdijk was vermoord.
Dan schrijft zij een brief aan pater Steltenpool in Peiping, die zelf nog nooit de moeite had genomen de moeder van deze jongen in te lichten over de wijze waarop hij was gestorven. Zij vraagt hem, wat George heeft gezegd. Hij antwoord: "Duizenden, niet alleen uit de betrokken plaatsen, maar ook honderden uit de steden zijn dankbaarheid verschuldigd voor het vele, wat met name door de ondergrondse te Hoogwoud-Wognum en Spanbroek, dikwijls met groot levensgevaar is verricht. Er zijn fouten begaan, maar onverantwoordelijk gedrag van slachtoffers was er soms aanleiding toe. De schuldvraag kan alleen de Goede God beantwoorden". En dan gaat hij verder in zijn brief vol taal- en tikfouten, die duidelijk zijn gebrek aan belangstelling voor het hele geval demonstreren: "Zeg de moeder van het slachtoffer dat haar zoon keurig is afgestorven. Hij stierf met een gebed op de lippen. Zijn sterven was mooi". Maar over de reden van deze laffe moord, zwijgt hij. Niemand mag weten waarom George Meijer gedood werd. Hij zegt slecht:
"Zijn sterven was mooi".
Een later onderzoek wees uit, dat George Meijer tot de laatste minuut zijn moordenaars heeft vervloekt met alle kracht en levensdrift, die er in zijn jonge lichaam was. Tot zijn dode lichaam door de nonchalante voeten van zijn moordenaars in een kuil werd getrapt, die hij eerst zelf had moeten graven.

Wie heeft deze details over de executie bekend?


GEEN POLITIEK, MAAR MOORD.

Hierna begint de Rijkspolitie met een onderzoek, maar leugens, bedrog en dreigementen stapelen zich op elkaar. Niemand weet iets. De grote helden van eerst, de CAT, Zwarte Daan, Barend Mes (de grote doder), Piet Stam,
Cor Rovers, Willy van de Klooster, Tonnes Heeres blijken plotseling allemaal die trots te bezitten om zich te beroemen op dit soort heldendaden, bedreven in de duisternis.

Wie waren Zwarte Daan, Piet Stam, Cor Rovers, Willy van de Klooster en Tonnes Heeres?

Niemand wil weten hoe en waarom een weerloze jongen van negentien jaar zonder vorm van proces werd vermoord. Wie geschoten heeft, blijft onbekend. Waarom blijft onbekend. Wel worden vage verhalen verzonnen. Die George Meijer moeten betichten van verraad. Maar na een kort onderzoek blijken geen van allen houdbaar.

Wie voerde dat onderzoek uit?

Terwijl iedereen zou mogen verwachten, dat deze illegale helden trots op hun daden de waarheid zouden durven spreken, zwijgen zij hardnekkig met angstige verbeten gezichten. Zo worden onder het mom van illegaal verzetsmensen vermoord en persoonlijke rancunes met de stengun uitgevochten. En ijverige ambtenaren haasten zich na de oorlog aan deze mensen onderscheidingen uit te reiken voor moed, trouw en beleid.

Dan krijgt opperwachtmeester van de Marechaussee Colenbrander opdracht het geval te onderzoeken. Hij heeft al eerder een belangrijk geval tot klaarheid gebracht en hij begint met verhoren. Hij verhoort iedereen die George Meijer heeft gekend. Hij verhoort de boer waar George was ondergedoken en zijn dochter Ali een volle dag lang. maar als zij thuis komen zegt Ali: "Van mij zijn zij niks wijzer geworden!" Hij verhoort ook de mensen in de blauwe overalls voor wie een mensenleven niets meer was dan de beweging van één vinger aan de trekker. Sommigen liegen, anderen weten niets, enkelen spreken de waarheid. Langzaam groeit het beeld van een ordinaire moord, gepleegd op het erf van de Schippers, de centrale commandopost voor de wapendroppings in Spanbroek. Als Colenbrander de CAT ter verantwoording roept, grijnst deze in zijn hol en zegt: "Ga maar naar Sicco!" (oud minister Sicco Mansholt). In het voorjaar van 1948 speurt hij samen met de identificatiedienst naar het lichaam van de negentien jarige blonde Haarlemmer jongen. Op het land van de Schippers bloeien de tulpen. Als zij een ijzeren staaf in de zwarte aarde steken zegt één van de Schippers: "Wezen jullie een beetje voorzichtig met de bollen." want nu twee jaar na de oorlog hadden de Schippers nog geen moeite gedaan de lijken op hun land op te graven. Zij pootte bollen en lieten tulpen bloeien boven de lichamen van hun slachtoffers.
Eerst vindt de lijkopsporingsdienst het lichaam van een Duitse soldaat (
dat zouden er twee moeten zijn). Daarna het lichaam, dat George Meijer had moeten zijn, maar dat is het niet. In de vers omgewoelde aarde voor hun voeten liggen de stoffelijke resten van Johannes (Jan) Kramer. Jan Kramer, gedood op dezelfde wijze en door dezelfde mensen, die George Meijer van het leven hebben beroofd. Wie nu op een steen voor het Gemeentehuis in Spanbroek kijkt ziet daar staan: 'Johannes Kramer, gevallen voor het Vaderland'. terwijl Colenbrander naar het dode lichaam kijkt, weet hij dat er iets niet klopt, want Jan Kramer werd al op 21 September 1945 met militaire eer herbegraven op het R.K. kerkhof in Spanbroek. Wie, zo vraagt hij zich af, lag er in die kist? Op wiens graf bidt de weduwe Kramer en brengt zij bloemen? Plotseling rijst bij hem een vermoeden. Waarom werd Jan Kramer vermoord en hij begint met een onderzoek naar 'het geval Kramer', de tweede moord op een onschuldige.



VERRAAD

Het is 24 Februari 1945. De vrouw (
Trientje Groot?) van Cor Loos heeft in stilte een verhouding met een Landwachter. Haar man moet verdwijnen. Op een dag stopt zij een illegaal krantje in de jaszak van haar man en waarschuwt de Landwacht. 's Avonds tijdens een kaartavondje, komen zij. Zij arresteren Cor Loos, Floor Stam en een zekere Vlaar. Dit is het begin van een drama, dat het leven zou kosten aan een tiental jonge mensen.

Het zou hier gaan om Jan Floorentinis Stam, Jan Kramer en Pee Vlaar uit Wadway.

De jongens uit Spanbroek worden overgebracht naar Hoorn. Daar blijkt al spoedig, dat Jan Stam bepaalde voorrechten geniet: meer eten, meer vrijheid. Drie dagen later komt de Landwacht terug. Nu weten zij precies bij wie zij moeten zijn. Zij komen bij Jan Kramer thuis, die bij zijn schoonouders, Eitjes, inwoont. Zij ranselen Piet Eitjes half dood en schieten hem neer wanneer hij wil vluchten. Zij arresteren Jan Kramer. Overal uit het dorp nemen zij verzetsmannen mee en brengen die over naar Hoorn.

Het gaat hier om Nicolaas Appel, Antonius Maria Bosse, Johannes Hermanus Hoek, Jacobus Lodinus Weerdenburg, Piet Eitjes en Cornelis Loos.
(
Stichting Hoochhoutwout)

Kort daarna wordt de hele groep overgebracht naar Amsterdam en de mannen worden één voor één verhoord. Daar zegt één van de jongens, Anton Bosse tegen Jan Kramer en Vlaar: "Zij vroegen me of ik bleef ontkennen. Ik zei ja en toen begonnen zij te lachten. Zij riepen Floor Stam en vroegen aan hem: was hij er ook bij? Ja, zei Stam, hij was er ook bij. Stam heeft alles verraden. Nu begrijp ik waarom de Landwacht precies wist bij wie zij moesten zijn." Kort daarna, tijdens een transport weet Kramer samen met een Amsterdammer, en drie Rotterdammers te ontvluchten. Hij duikt onder in Spanbroek zonder dat zijn vrouw iets weet en pas na een paar dagen, als hij bemerkt, dat de Duitsers zijn huis met rust laten, durft hij tevoorschijn te komen. Hij gaat naar huis. Onderweg ontmoet hij de vader van Stam, die staat te praten met verzetsstrijder Schertsing. Ongelukkigerwijs heeft Spanbroek die dag juist het bericht doorgekregen, dat alle gearresteerde jongens 8 maart 1945 waren gefusilleerd, maar niemand realiseerde zich op dat ogenblik, dat dit gebeurd was binnen het kader van de represaillemaatregelen voor de aanslag op Rauter. Op diezelfde dag werden in Nederland ruim vierhonderd Nederlanders doodgeschoten.

Deze jongens werden op Rozenoord te Amsterdam gefusilleerd.


Stam echter, verbitterd, ziet Kramer en zegt: "Wat is er met onze jongens gebeurd?" Kramer antwoordt: "Die zoon van jou heeft alles verraden." Stam antwoord op zijn beurt: "Dat zal jij wel gedaan hebben." Daarna gaat hij (Stam) naar de NSB burgemeester Nie Bruin, waar hij de kleding van zijn zoon kan terughalen. Hij zegt dat hij Kramer heeft gesproken. Burgemeester Bruin heeft een persoonlijke afkeer van Kramer. "Zijn gezicht stond mij niet aan" zegt hij. Bovendien weet hij dat Kramer al eens veroordeeld was voor een vermogensdelict. Tegen Stam zegt hij: "Jij hebt nog onderduikers. Als ik jou was, zou ik Kramer maar niet op je erf laten."
Daarmee is de twijfel gezaaid. Boer Stam, die terecht moeilijk kan geloven in het verraad van zijn zoon, gelooft maar al te graag in dat van Kramer en onder zijn gulzig gehoor vindt hij genoeg schietgrage illegalen, die bereid zijn de rekening te vereffenen. Daarmee is het lot van Kramer bezegeld. Zijn grootste verraad is,  dat hij nog leeft.
Op een avond verschijnt een illegaal aan de deur en vraagt Jan Kramer of hij even mee wil komen om nog eens iets te vertellen over zijn ontvluchting. Kramer leent de fiets van zijn schoonvader, zwaait naar zijn vrouw, die bij de buren op visite is en roept: "Tot straks!" Maar voor Kramer is er geen straks meer. In de schuur achter het huis van de Schippers wordt hij van achteren neergeschoten, terwijl hij bezig is uit te leggen hoe hij is ontvlucht. Kramer mocht zichzelf niet verdedigen. Hij kreeg geen gelegenheid zich voor te bereiden op zijn dood. Op die avond van de 15e Maart 1945 werd de zoveelste moord gepleegd op het erf van de Schippers.


NIEMAND WEET IETS.

Na die avond wacht mevrouw Kramer tevergeefs op de terugkeer van haar man. Hij komt niet. De andere dag komt hij evenmin. Zij weet niet dat onder de omgewoelde hoop aarde op het land van de Schippers haar man begraven ligt.
Zij informeert bij de CAT, maar hij weet van niets. Zij vraagt aan Schertsing waar haar man gebleven is, maar ook deze weet van niets. Hij vloekt haar uit en dreigt haar met een pistool. Dagen en weken gaan voorbij. Jan Kramer wiens grote zonde het was, dat hij niet was doodgeschoten door de Duitsers, kwam niet meer terug. 's Nachts ligt zijn vrouw wakker en luistert. Als zij iets hoort, denkt zij dat het haar man is, die terugkomt. Maar hij komt niet. Als Nederland al juicht om de bevrijding is hij nog steeds spoorloos. Opnieuw gaat de weduwe Kramer overal informeren. In het hoofdkwartier van de CAT, in C-3 wordt zij uitgescholden en weggejaagd. dan hoort zij van de pastoor van Spanbroek, dat haar man door de illegalen is doodgeschoten. iemand anders vertelt haar, dat hij Jan Kramer onder geleide het huis van Schipper heeft zien binnengaan. Opnieuw gaat zij naar de CAT, die eerst nog ontkend maar dan later bij haar komt en toegeeft dat haar man is doodgeschoten. Hij zegt haar dat Jan Kramer volledig eerherstel zal krijgen, dat hij met militaire eer zal worden begraven, dat zij een uitkering van achttien Gulden in de weel zal ontvangen, als zij … een verklaring tekent geen strafvervolging tegen de schuldigen te zullen laten instellen. De weduwe Kramer, ontmoedigt, teleurgesteld en eenzaam, tekent. De CAT grijnst om zijn zoveelste slimme overwinning, want hij weet dat de toestemming voor liquidatie, die uit Alkmaar had moeten komen, nooit is gekomen. De schuld van Jan Kramer heeft nooit vastgestaan. Er was geen schuld. Glimlachend geeft hij dan ook opdracht het lichaam van Kramer op te graven. Ook dat gebeurt als het donker is. De verzetslieden van de Zomerdijk werken ook na de oorlog nog bij voorkeur in de duisternis. Dokter J. Schram (huisarts te Spanbroek) en enkele illegalen steken de spaden in de zwarte aarde, maar vinden niets. tenslotte zegt iemand: "Gooi er maar wat klei in, als de kist maar wat weegt." Uiteindelijk vinden zij een lichaam en beschijnen het met hun lantaarns de stoffelijke resten voor hun voeten. Het is het lichaam van George Meijer, klein, tenger, lijkt wel zestien. Onder het motto 'een lijk is een lijk' wordt het lichaam van Meijer in de kist gedaan. Dr. J. Schram tekent op het gemeentehuis een overlijdensacte van Jan Kramer, gedateerd op 20 September 1945. Deze acte word geschreven nadat hij de dood had geconstateerd. De dood van Meijer! 

Van wie had de toestemming tot executie moeten komen?



MILITAIRE EER.

De dag daarna, 21 September 1945, is er een eervolle begrafenis. Jan Kramer wordt met militaire eer begraven. Maar de pastoor vraagt honderd Gulden voor de uitvaart. De weduwe Kramer betaalt. Zij betaalt ook vijftig gulden voor bidprentjes, die zij als Rooms-Katholiek heeft laten drukken. De verzetsstrijders betalen bitter weinig. De goeden onder hen betreuren deze hele pijnlijke situatie, maar allemaal staan zij met de hand aan de helm en zingen het Dies Irae (dag der wake), terwijl enkele van hen weten, dat de kist, bedekt met de Nederlandse driekleur niet het lichaam van Jan Kramer, maar dat van George Meijer bevat. Eén van hen zei kort geleden: "Ik had nooit gedacht dat het nog eens uit zou komen."

Dit alles echter ontdekte opperwachtmeester van de Marechaussee Colenbrander, die dag in het voorjaar van 1948. terwijl de tulpen bloeiden op het land van de Schippers en voor zijn voeten het lichaam van Kramer lag, vermoedde hij al wie daar op het R.K. kerkhof in Spanbroek als Kramer begraven lag en hij had gelijk.
Met gesloten poorten en wachten voor de hekken, liet hij op het kerkhof het lichaam opgraven. Het was George Meijer. De blonde jongen uit Haarlem, die verdwijnen moest omdat iemand dat wenste, maar Colenbrander ontdekte nog meer.

Was bij deze opgraving een lijkschouwer aanwezig?

Hij ontdekte , dat niet alleen Kramer en Meijer onschuldig waren neergeschoten en dat datgene wat politieke liquidaties moest schijnen in werkelijkheid alleen maar een ordinaire moord was, maar hij ontdekte ook, dat nog meer onschuldigen in de duisternis achter C-3 aan de zomerdijk waren neergeschoten.

Dit was teveel. Nadat hij zijn bevindingen had doorgegeven aan de officier van Justitie te Alkmaar werd hij overgeplaatst naar een klein plaatsje in Limburg. Colenbrander moest verdwijnen en Hil Schipper, de Zwarte Paus, het Genie van Spanbroek, de Wijze uit het Oosten, behaalde zijn zoveelste overwinning, toen Colenbrander het hoofd moest buigen. Zijn aanwezigheid was te gevaarlijk voor de verzetsheld.

Wie is deze Colenbrander? Waar is zijn rapport gebleven?

Nadat Colenbrander verdwenen was bleven de weduwe Kramer en mevrouw Meijer-Remer alleen achter. De weduwe Kramer kreeg haar achttien Gulden in de week; het lichaam van George Meijer werd begraven op de R.K. begraafplaats Barbara in Haarlem. Bij een officiële zitting van de Landelijke Ereraad der Illegaliteit op dinsdag 17 Juni 1947 werd al vastgesteld dat George Meijer ten onrechte was geliquideerd, maar nog werd niet duidelijk waarom hij dan wel sterven moest. De mensen die verantwoordelijk waren voor zijn dood, zwegen ook voor deze Ereraad.

Terwijl het rijk nu zijn graf onderhoudt en een ironische geest op zijn steen heeft laten beitelen: 'Gevallen voor het Vaderland', blijft de waarheid omtrent de moord op George Meijer verborgen. De mensen die opdracht gaven hem te doden, werden niet ter verantwoording geroepen, zij ontsnapten de dans.

Er werd ook niet meer gesproken over de bezittingen die Kramer bij zich had toen hij werd doodgeschoten. Zijn horloge, porte-monnaie en andere zaken verdwenen in de zakken van de moordenaars. De fiets van zijn schoonvader werd na de oorlog volkomen vernield bij haar teruggebracht. Waar vandaan wist niemand. Door wie wist niemand.
De illegalen van Spanbroek en omgeving, onderling verbonden door hun zwijgplicht, vergaten hun geweten, wanneer er over de liquidaties aan de Zomerdijk gesproken werd. Maar tenslotte kon de waarheid niet verborgen blijven. Op de vraag wie George Meijer vermoordde, waarom en hoe, moest tenslotte een antwoord gegeven worden. En ook welke onschuldigen nog meer stierven tijdens de zwarte avonden, wanneer twee mannen gewapend met Stenguns de wacht hielden voor het huis. Want na de oorlog werden op het land van de Schippers elf lichamen gevonden van geliquideerden en in Spanbroek fluisteren de mensen over de dodenakker van de Schippers, waar nog steeds meer doden begraven moeten liggen.

Van deze elf lichamen zijn het twee Duitse soldaten, George Meijer en Jan Kramer. Wie zijn de overigen? Dat moet toch bekend zijn als zij zijn opgegraven. Er moet toch aangifte gedaan zijn van vermiste personen?



                                                                                  
      Weggum.com





Uitspraken van Herman Willem (Toffie) Hofland, alias Manus de Wit, assistent van Barend Mes.


Er zijn lieden geweest die de zaak hebben proberen te verraden, doch deze zijn geëlimineerd en het is toch wel een wonder dat er nimmer werkelijk verraad heeft plaatsgevonden.

Er zijn zware tegenstanders opgeruimd, er zijn Moffen gesneuveld, kortom: er was elke dag wat anders.

We hadden betrekkelijk sportieve opvattingen t.a.v. de tegenstander, het was moeilijk te begrijpen dat het ‘eerst schieten en vragen wat er loos was’ een vereiste was. Vrouwen liquideren was een al heel moeilijke zaak en toch waren die soms de ergste. Niet alle Moffen waren slecht, het systeem deugde niet en de meelopers waren levensgevaarlijk.

Soms had je geen enkele keus en deed je wat er gedaan moest worden of wat er van je verlangd werd.

Bron: 'Van mei tot mei' door Erik Schaap.



                                                                 
        weggum.com





DE ZAAK JAN WILLEM GERVER.

Vader Gerver wijst hem naar Hoogwoud. In deze plaats verblijft hij enige tijd en zoekt contact met deillegaliteit. Dit lijkt verdacht omdat kort tevoren een verzetsgroep is opgerold door de S.D. Daardoor zijn de spanningen binnen de verzetsgroep zéér groot. De commandant van het wapendroppingsterrein Mandrill aan de Zomerdijk in Wognum, C.T.A.
Schipper, hoort van het gebeuren rond Gerver en laat hem op 14 februari 1945 door de B.S. in Hoogwoud arresteren.
Na overgebracht te zijn naar Spanbroek wordt hij verhoord, maar beide partijen vertrouwen elkaar niet. Op 17 februari 1945 wordt Gerver, met twee getuigen, nogmaals verhoord door de commandant, Niek Mul uit de Wogmeer. Deze twee getuigen zijn Niek Loos en Rinus van Stralen. Ook dit verhoor levert weinig resultaat op. Getracht wordt nog informatie te krijgen over de afkomst van Gerver. Gelet op de toenmalige situatie is dit vrijwel onmogelijk. Besloten wordt, dat als binnen twee dagen niets naders bekend wordt, de betrokkene zal worden geliquideerd. Jan Willem Gerver wordt gevangen gehouden in een bak van een vrachtwagen, een zogenaamde veekap. Deze bak, die fungeerde als een soort gevangenis, staat honderden meters het land in achter een hoeve. Op 19 februari 1945 krijgt Jan Willem Gerver op zijn verzoek nog geestelijke bijstand van kapelaan Keet uit Spierdijk. Vervolgens wordt hij op een weiland in Spanbroek door de kogel ter dood gebracht. Na de executie wordt het stoffelijk overschot van Jan Willem Gerver begraven in een weiland te Spanbroek. Deze zaak zou in de vergetelheid zijn geraakt als de vader van Jan Willem na de bevrijding niet had aangeklopt bij luitenant Jacq van Gastel.


J. W. A. van Gastel loste het op

Na de bevrijding op 5 mei 1945 werd J. W. A. van Gastel aangesteld om als officier orde op bestuurlijke zaken te stellen in de regio West-Friesland. In deze functie werd luitenant Van Gastel gedetacheerd te Hoorn, van waaruit ook de gang van zaken in Enkhuizen en Medemblik geregeld moest worden. Gelukkig heeft de inmiddels op 15 januari 2006 overleden Jacq van Gastel een uitvoerig verslag opgemaakt over het gebeuren in deze regio. Tijdens zijn detachering te Hoorn werd hij regelmatig benaderd door vader Gerver met het verzoek onderzoek te doen naar het gebeuren rond zijn zoon.
Voor Van Gastel was dit aanleiding om zich in deze zaak te gaan verdiepen en een nader onderzoek in te stellen. Met behulp van de Dienst Identificatie en Berging van het Ministerie van Defensie werden er opgravingen gedaan op een weiland te Spanbroek.Daar werd naast het stoffelijk overschot van Jan Willen Gerver ook dat van een vrouw gevonden.
Op grond van de bij haar gevonden papieren zou zij verpleegster zijn geweest. De verpleegster met die naam bleek echter nog in leven en de echte naam van de gevonden vrouw is nooit achterhaald. Verder werd er nog het lichaam van een jongen uit Haarlem gevonden. Hij was op hongertocht en had via een raam in een boerderij geboeide Duitsers zien zitten. De jongen sloeg op de vlucht en werd vervolgens door de BS neergeschoten. De twee overige lijken werden nooit geïdentificeerd, vertelt Van Gastel in zijn verslag.

Bron: 'Oud Hoorn'.



Mogelijk zijn in het archief van het Rode Kruis Nederland nog meer informatie te vinden. Op internet staat een inventarisatie overzicht.

'Nederlandse Rode Kruis, Inventarisatie van het archief van het Rode Kruis- Centrale Documentatie'.

631 Brief van de Dienst Identificatie en Berging betreffende de identificatie van een stoffelijk overschot opgegraven te
      Spanbroek op 13-05-1948 (
Jan Kramer?).


                                                                        
weggum.com



DE ZAAK WILLEM GERARDUS BERNARDUS HAGENBEEK.

Twee weken voordat Wim en Piet Twisk en Wim Hagenbeek van hun bed werden gelicht, was er ingebroken bij de familie Twisk. Vader Twisk had daarom aan het hek voor aan de weg een bel gehangen, verbonden met een touw dat naar het huis liep.Op de bewuste avond, toen iedereen al in bed lag ging de bel. Vader Twisk deed de gordijnen open en zag dat er ongeveer honderd mensen voor het raam stonden. Op hetzelfde moment werd de achterdeur ingetrapt en kwam de landwacht binnen.In het voorjaar van  1945 werden broer Piet en ik met Wim Hagenbeek (een onderduiker) van ons bed gelicht door de landwacht. Ook Jaap Timmer (een zware verzetsman), die was ondergedoken bij Jan Weel, en een joods echtpaar, dat onderdak had bij G. Roozendaal, werden meegenomen. Wij werden met z'n zessen op transport gesteld, op de fiets, elk tussen vier landwachters in. In Hoom zijn we in de Parkzaal tegen de muur geplaatst, ieder afzonderlijk. Na enkele uren werden wij door een paar NSB'ers naar het politiebureau op het Grote Noord gebracht. Daarwerden wij in een cel opgesloten. In deze cel zaten al twee jongens die schapenwol hadden gestolen. Het joodse echtpaar werd in een andere cel gezet.Toen wij, Joop Timmer, Piet en ik in een andere kamer moesten komen, dachten wij dat het met ons gebeurd was. Alleen wisten wij niet wat wij fout hadden gedaan.Gelukkig werden wij vrijgelaten door tussenkomst van onze NSB-burgemeester uit Sijbekarspel. Onderweg werd ons verteld dat de landwacht weer op de Nieuweweg aanwezig was. Wij zijn ondergedoken bij wagenmaker Van Leeuwen op de Nieuweweg tot de kust weer veilig was.Maar waar was de onderduiker gebleven? Hij werd apart verhoord door de landwacht. De landwachtwilde zo veel mogelijk aan de weet  komen overandere verzetsmensen uit Wognum. Natuurlijk werder thuis wel eens over het een en ander gepraat. De onderduiker had wel namen horen noemen van Schipper en Commandeur en andere, maar hij wist gelukkig niet waar deze mensen woonden, anders was Wognum net als Putten geworden. Na tien dagen werd de onderduiker vrijgelaten en kwam hij weer bij ons. Hij wilde zo snel mogelijk naar Amsterdam, naar zijn huis. Intussen werd ons verteld dat als de onderduiker terugkwam, de ondergrondse zo spoedig moest worden ingelicht. De onderduiker kwam weer bij ons terug. Zijn vriendin kwam alle weken met allerlei geheime papieren met informatie onder de zolen van haar schoenen. Op een keer, na een afscheidspraatje op het land, werd hij bij de deur opgewacht door de verzetsmensen en meegenomen naar de Zomerdijk. Wij hebben vemomen dat hij zijn eigen graf heeft gegraven en als verrader is gefusilleerd. Later is ons verteld dat niet hij, maar zijn broer een verrader was.

Uit het jaarboek 2006 van de 'De Cromme Leeck'.
weggum.com