LOUIS VAN GAASTEREN.
Louis Alphonse van Gasteren (Amsterdam, 20 november 1922 – aldaar, 10 mei 2016) was een Nederlandse filmregisseur, filmproducent en beeldend kunstenaar.

Van Gasteren was de zoon van acteur Louis Augustaaf van Gasteren (1887-1962) en zangeres Elise Menagé Challa (1888-1962) en de broer van de actrice Josephine van Gasteren (1917-1989). Hij was aanvankelijk elektricien. Van jongs af aan had hij belangstelling voor het medium film. Hij organiseerde in de jaren veertig[bron?] vertoningen voor De Nederlandsche Filmliga[bron?] en een filmmuziekconcert in het Concertgebouw te Amsterdam[bron?] en de Houtrusthallen in Den Haag.[bron?] Via de elektrotechniek raakte hij als geluidstechnicus ook betrokken bij de productie van films. Zo liep hij stage bij de Eclair Studio's in Épinay-sur-Seine, en werkte hij bij Polygoon in Haarlem.

Zijn eerste film produceerde Van Gasteren in 1952 voor de firma Van Houten, samen met Theo van Haren Noman.

Naast film toonde Van Gasteren een levendige belangstelling voor waterbeheer. Zo was hij nauw betrokken bij het voorlichtingscentrum op Neeltje Jans en ontwierp hij de permanente expositie Normaal Amsterdams Peil in het Amsterdamse Stadhuis/Muziektheater.

Van Gasteren woonde in Amsterdam en was getrouwd. Hij overleed in 2016 na een ziekbed op 93-jarige leeftijd.

Van Gasteren kwam na de oorlog in opspraak in verband met de zaak-Oettinger, ook wel bekend als de moord in de Beethovenstraat. In 1943 werd de invalide Jood Walter Oettinger gedood. Louis van Gasteren stelde dat het een verzetsdaad betrof, maar anderen beschuldigden hem van een roofmoord.

Op 24 mei 1943 doodde Van Gasteren, destijds elektricien, in zijn Amsterdamse woning de Duits-joodse onderduiker Walter Oettinger door hem met een zware kabel op het hoofd te slaan en hem vervolgens te verdrinken in een badkuip. Van Gasteren werd in 1944 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Na de oorlog werd hem in 1946 door minister Kolfschoten gratie verleend, nadat hiertoe bij de minister was gelobbyd.

Van Gasteren stelde in 1989, in een interview, dat hij uit zelfbescherming had gehandeld, omdat Oettinger met zijn gedrag hem en anderen in gevaar zou brengen. In 1990 schreef de journalist Bart Middelburg in Het Parool een reeks artikelen, waarin gesuggereerd werd dat het eigenlijk een ordinaire roofmoord was. Ook zou Van Gasteren hebben geprobeerd Oettinger te vergiftigen. Een andere onderduiker, die de voor Oettinger bestemde vergiftigde thee opdronk, zou hierdoor zijn overleden.

Van Gasteren protesteerde bij de rechtbank, werd in het ongelijk gesteld maar kreeg in hoger beroep gelijk van het Amsterdamse Gerechtshof. Het Parool stapte naar de Hoge Raad, die in 1995 oordeelde dat Het Parool onzorgvuldig was geweest. De krant moest een schadevergoeding betalen aan Van Gasteren.

Eind 1997 oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat Van Gasteren geen recht had op een verzetspensioen omdat het doden van Oettinger niet als verzetsdaad kon worden aangemerkt.

In 1998 werd het boek Wandelingen door moorddadig Amsterdam van de journalist Eric Slot door de uitgever uit de handel genomen. Van Gasteren had gedreigd met juridische stappen, omdat Slot in het boek "onjuist en/of onvolledig" zou zijn geweest over de dood van Oettinger.

De columniste Pamela Hemelrijk publiceerde later in 1998 op een website een open brief aan de Hoge Raad. Daarin klaagde ze dat het door het arrest van 1995 niet meer mogelijk zou zijn nog iets te zeggen over de zaak-Oettinger zonder schadeclaims van Van Gasteren. Een column van gelijke strekking was eerder door het Algemeen Dagblad geweigerd. Nadat de Raad voor de Journalistiek Van Gasteren in een klacht niet-ontvankelijk verklaarde, spande hij wederom een rechtszaak aan. Daarin eiste hij een schadevergoeding en verbod op publicatie van de brief, onder meer vanwege schending van zijn privacy. De rechtbank oordeelde in 2003 dat het arrest van de Hoge Raad strikt genomen alleen betrekking had op de zaak Van Gasteren versus Het Parool/Middelburg, en dat daarin weliswaar was beslist dat de publicatie onrechtmatig was omdat Van Gasteren daarin van roofmoord was beschuldigd, maar dat daarbij over de vraag of hij uit verzetsmotief had gehandeld niets was beslist. Het arrest van de Hoge Raad speelde voor deze nieuwe zaak dus geen rol en de rechtbank kon daarom een zelfstandige afweging maken tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van Hemelrijk en de privacy van Van Gasteren. Deze laatste kon zich volgens de rechtbank niet ten volle op privacybescherming beroepen, aangezien hij zelf in een uitzending van Het uur van de wolf over de zaak in de publiciteit was getreden. De rechtbank stelde in de uitspraak ook dat geen overtuigend bewijs voorhanden was dat de doodslag op Oettinger een verzetsdaad zou zijn. Hemelrijks open brief, die volgens de rechtbank het karakter had van een column en daarom aan minder strenge criteria voor zorgvuldigheid moest worden getoetst dan een publicatie van een onderzoeksjournalist, was niet onrechtmatig en de eis van Van Gasteren werd afgewezen.

Van Gasteren trachtte in 2006 met een kort geding een nieuwe publicatie van Eric Slot, De dood van een onderduiker - Louis van Gasteren en de waarheid, te verbieden. Het boek was volgens de rechter echter niet onrechtmatig en kon dus gewoon verschijnen. Slot had geen aanwijzingen gevonden voor een roofmoord, maar trok wel de betrokkenheid van het verzet bij de liquidatie in twijfel.

Bron: Wikipedia.
WEGGUM.COM