
Op weg naar de vrijheid.
Rønneberg: “Voordat wij überhaupt richting Zweden konden vertrekken moesten wij de te volgen route goed plannen want deze zou wel eens 600 kilometer lang kunnen worden. Wij konden natuurlijk geen rechte lijn trekken van Rjukan naar de Zweedse grens, want dat zou ons door de dichtbevolkte gebieden rond Oslo voeren. Dus moesten wij eerst naar het noorden, naar het zuiden was geen optie want daar ligt een groot meer dat wij niet ongezien konden oversteken. Wij hadden al bekeken dat wij erg ver naar het noorden zouden moeten trekken om niet in de omgeving van Lillehamer uit te komen want daar was de skiopleiding van de Nazi bergtroepen gevestigd. Pas na Lillehamer op ruime afstand gepasseerd te hebben konden wij naar het zuidoosten afbuigen richting de grens. SOE had ons van drie sets kaarten voorzien met een schaal van 1: 100.000. Elk van deze kaarten was weer onderverdeelt in 26 kaarten die zeer gedetailleerd waren. Eén van de sets hadden wij op de wand van de hut geprikt en met een streep hadden wij de geplande route aangegeven. Ieder van het ontsnappingsteam kreeg uitgebreid de kans de kaarten te bestuderen en zich de route eigen te maken. Toen wij uit ons depot vertrokken schatten wij in dat wij zo’n tien dagen nodig zouden hebben om de Zweeds grens te kunnen bereiken. Wij hadden ook bedacht om ’s nachts te reizen en om ons overdag schuil te houden en te rusten. Wij kwamen er echter al snel achter dat het eenvoudiger was om het toch andersom te doen”.
De weersomstandigheden en de sneeuwcondities waren optimaal toen het Gunnerside team de hut bij Skrykken verliet, maar al gauw werd het een worsteling. Zij werden behoorlijk gehinderd door de slecht ontworpen rugzakken, maar zij moesten ook nog een zwaar beladen slee met voorraden meeslepen.. Dat ging prima over harde sneeuw, maar het werd echt worstelen als zij door natte papsneeuw heen moesten.. Het werd helemaal een ramp wanneer zij gedwongen waren om dwars door struiken of bosjes heen moesten.
Zelfs in Rønneberg’s optimistische manier van rapporten schrijven was het “heel zwaar werk”.
De eerste nacht brachten de mannen door in verlaten en afgelegen herberg genaamd ‘Sterhotel’. Hier vonden zij ook wat etenswaren waardoor zij hun beperkte eigen voorraden niet aan hoefden te spreken. De volgende dag was het schitterend weer en zij waren van plan een grote etappe af te leggen op de nog lange route naar Zweden. De mannen hielden de onderlinge afstanden erg groot waardoor zij minder opvielen in het terrein. Om de buurt gingen twee van hen als verkenners vooruit om met verrekijkers het landschap af te speuren op zoek naar eventuele bedreigingen. Nadat zij ’s morgens goede vorderingen hadden gemaakt, draaide de middag uit op een flinke tegenslag. Eerst moesten zij met een onwillige overbeladen slee een steile helling afdalen, waarna men vervolgens met man en macht de slee de volgende helling weer op moest sleuren. De hele groep was compleet kapot toen zij bij een jachthut aan het Rødungen meer aankwamen.
Rønneberg had ondertussen een pijnlijke ontsteking aan zijn hand opgelopen waardoor het steeds moeilijker voor hem werd om vooruit te komen. Het landschap bestond uit een aan één schakeling van witte pieken en dalen, meren en vlaktes en dit maakte het oriënteren met de kaarten erg lastig. De volgende dagen waren zij gedwongen zich volledig op kompas zich een weg te banen door het witte landschap.
Zondag 7 maart was zo’n typische dag waarop veel Noren gaan skiën, om niet op te vallen bleef de groep die ochtend lang in de hut waarin zij de nacht doorgebracht hadden. Even was er paniek toen een eenzame skiër hun kant op kwam. Meteen werd de hele uitrusting in een van de slaapkamer gegooid, werden de ramen geblindeerd en de deur op slot gedaan. De man ging echter naar de naast gelegen hut, maar hierdoor waren de mannen gedwongen om zich enkele uren op de vloer schuil te houden tot de man vertrokken was. De volgende dag wachten de mannen tot het donker begon te worden alvorens men begon aan het oversteken van de immens grote Hallingdalen vallei. In dit dal waren zij van alle kanten zichtbaar en er kon nergens in dekking gegaan worden. Eenmaal aan de overkant van de vallei uitgekomen kwamen zij uit op een wirwar van paden en sporen. Het team had in het donker geen idee welke richting zij uit moesten en daarom waren zij gedwongen de nacht buiten in hun slaapzakken door te brengen. De slaapzakken waren echter door en door nat na het oversteken van een rivier eerder die dag. Toen het licht werd besloten zij het ontbijt over te slaan en toen zij éénmaal wisten waar zij heen moesten ging men op weg naar een hut die op een uur lopen afstand lag. Hier konden zij hun kleren en uitrusting laten drogen, de wind was intussen flink aangewakkerd en de temperatuur zakte weer flink onder nul. Ondanks de verslechterende weersomstandigheden besloot het team toch weer op weg te gaan, elke stap bracht hen verder uit de buurt van de fabriek in Vemork en de Hardangervidda waar van uit de zoektocht naar de saboteurs zich steeds verder uitbreidde. Tegen de avond bereikten zij een plek genaamd Fjellstolen, dit ongeveer 20 kilometer ten westen van de Aurdalsfjord. Tot hun grote vreugde ontdekten de mannen een comfortable verlaten boerderij waarin zich een flinke voorraad bloem en gerstebrood bevond.
Op de zesde dag van hun tocht werden zij verrast door twee mannen op ski’s terwijl zij bezig waren een berghelling te beklimmen. Het Gunnersideteam was geheel in het wit gekleed en alleen de donkere lopen van hun machinegeweren staken boven hun met wit bedekte rugzakken uit.. De twee groepen zwaaiden naar elkaar terwijl zij elkaar passeerden, de twee mannen namen blijkbaar aan dat zij een groep Duitse soldaten waren die met een oefening bezig waren. Om acht uur ’s avonds bereikten zij onopgemerkt de Aurdalsfjord en tot hun schrik zagen zij dat het meeste ijs op de fjord al gesmolten was, maar aan de zuidzijde van de fjord ontdekten zij nog een plek waar het ijs tot aan de overkant reikte. Rønneberg nam de taak op zich om de sterkte van het ijs te testen voordat hij de anderen opdracht gaf om het ijs over te steken. Kruipend op handen en voeten, gewapend met een bijl bereikte hij langzaam de overkant terwijl de anderen alleen toe konden kijken en af moesten wachten of het goed zou gaan.
Het ijs was erg dun en het kon allemaal net. Rønneberg gaf opdracht aan de rest om ook over te steken. Dus volgden zij hem uiterst voorzichtig waarbij men de onderlinge afstanden tussen elkaar erg groot lied. Tegen middernacht zaten zij alweer in de bergen op een hoogte van 1000 meter boven de waterspiegel. Hier braken zij een deur open van een hut die aan een ingenieur genaamd Cristiansen toebehorende en die erg koningsgezind was want alle wanden van de hut waren bedekt met afbeeldingen van koning Haakon.

De volgende dag sloeg het weer dramatisch om, de lucht betrok met dichte bewolking en de temperatuur schoot omhoog. Hierdoor werd de sneeuw nat en papperig, wat skiën bijna onmogelijk maakte. Tijdens hun lunchpauze voelden zij de eerste regendruppels al. Aan het einde van de dag waren zij letterlijk tot stilstand gekomen door de slechte sneeuwcondities en totale uitputting. De uitrusting was die dag tot over de limieten getest. Over het algemeen was men heel tevreden geweest met de versterkte uitrusting, zeker het battledress dat van wol gemaakt was droegen zij gedurende de hele tocht. Alleen de overhemden vonden zij te warm, die namen zij mee in hun rugzakken en droegen deze ’s avonds omdat hun ondergoed gedurende de dag drijfnat geworden was van het zweet. Het nethemd voldeed ook prima, het voldeed prima om hen warm te houden en hielp bij het drogen van de buitenkleding, maar degenen die een gevoelige huid hadden kregen er zweren van. Ook de tok die gemaakt was van konijnenbont voldeed goed, maar wanneer de mannen begonnen te zweten ging het bont de huid irriteren en dat maakte het skiën in hoog tempo lastig. Sommigen vonden de tok te warm wanneer de temperatuur boven de -15 graden uitkwam. De grootste kwelgeest was echter de rugzak, die was gewoon slecht ontworpen en de te smalle draagbanden sneden diep in het vlees van hun schouders.
Gedurende de volgende dagen zakte de temperatuur weer aanzienlijk en waren de mannen in staat per dag flinke afstanden af te leggen, maar hun rantsoenen begonnen nu snel op te raken. Hierdoor werden de porties eten steeds kleiner en dit stond in contrast met de hoeveelheid energie die zij gebruikten om zich een weg door de wildernis te banen. Dit gold in het bijzonder voor Idland, voor hem was de tocht misschien wel het zwaarst, hij was de minst ervaren skiër, maar zijn wilskracht dreef hem vooruit en hij wilde niet degene zijn die de groep ophield. Het team had een methode ontwikkeld om de moed erin te houden gedurende de eindeloze marsdagen. Rønneberg;” Wij hadden 26 kaarten gekregen die ons Noorwegen uit moesten leiden, elke keer wanneer wij een kaart achter de rug hadden werd deze ritueel verbrand en op die manier wisten wij dat wij weer een stukje dichter bij ons doel gekomen waren”.

Op 13 maart, de tiende dag van hun ontsnappingstocht zagen zij twee Duitse vliegtuigen van het type Junker 52S overvliegen. Klaarblijkelijk waren zij niet naar iets onder zich aan het zoeken want zij volgenden een vaste koers door het Grudbrandsdalen en waarschijnlijk waren het postvliegtuigen die van Oslo op weg waren naar Trondheim.
De volgende twee nachten waren de mannen gedwongen buiten in slaapzakken door te brengen want zij waren onderweg geen hutten tegen gekomen. De voedsel situatie begon kritiek te worden en zij waren gedwongen van de geplande route af te wijken en hutten open te breken op zoek naar voedsel Vaak hadden zij pech, maar soms vonden zij net genoeg bloem en gerstebrood om nog enige tijd door te kunnen gaan.
De mannen waren nu op een kritisch punt van de route aangekomen, zij waren de Zweedse grens dicht genaderd, waren moe en hongerig, maar juist in dit gebied moesten zij uiterst alert zijn. In dit deel van Noorwegen wemelde het van de Nazi’s en landverraders die op jacht waren naar vluchtelingen en verzetstrijders die de grens trachten te bereiken.
Gepland was om de rivier de Glomma dicht bij de stad Rena over te steken, maar Storhaug die uit dit gebied afkomstig was maakte een fout en voerde de groep zes kilometer de verkeerde kant op. Het team raakte helmaal gedesoriënteerd in een gebied vol heuvels en dalen en zij waren niet meer in staat om door middel van de kaart te bepalen waar zij zich bevonden. Hoog in de bergen was oriëntatie veel eenvoudiger geweest want daar kon zij het landschap van boven aanschouwen en dit vergelijken met hun kaarten.
In de lagere delen van het land werkte deze methode niet en waren zij niet in staat zich op een bepaald punt te oriënteren. Men was dus gedwongen puur op kompas te navigeren.
Rønneberg:”Onder dergelijke omstandigheden is het uiterst belangrijk om niet geïrriteerd te raken. Het is vrij eenvoudig om over de kleinste details of bepaalde eigenschappen van mensen kwaad te worden, maar dat is dodelijk voor de sfeer in de groep. Als je zoiets op voelt komen is het beter even letterlijk afstand te nemen en weg van de groep te blijven tot je weer bedaard bent”.
Uiteindelijk vonden zij de rivier, maar tot hun schrik bleek deze geheel ijsvrij te zijn. Men had geen idee van de sterkte van de Nazi troepen in de omgeving en dus werd besloten om dicht bij de rivier het kamp op te slaan. Storhaug kreeg opdracht om met een lid van de plaatselijke bevolking contact op te nemen waarvan hij wist dat deze vaderlands getrouw was. Vier uur later kwam hij terug met een boot die hij gestolen had en meteen stak men snel de rivier over om vervolgens in de dicht beboste heuvels aan de overzijde te verdwijnen. De volgende twee nachten waren zij gedwongen in de openlucht door te brengen, met doorweekte kleding en drijfnatte slaapzakken. Sneeuw, zo zeggen de Noren, is een prima deken, maar een slechte matras. Niemand was echter in staat te slapen, zowel door de alles doordringende kou, als door de constante honger. Rønneberg noteerde in zijn logboek:”de honger lied ons de hele dag door fantaseren over gedekte tafels die doorbogen van de hoeveelheid eten die erop stond”. De groep was de grens nu uiterst dicht genaderd, maar het laatste stuk was vreselijk zwaar. Het bestond voor het grootste deel uit rotsblokken en ondoordringbare bosjes,waar geen enkel uitzicht was.
Uiteindelijk op 18 maart 20.15 uur, vijftien dagen nadat zij uit de hut in Skrykken vertrokken waren, zetten zij voet op Zweedse bodem. De mannen feliciteerden elkaar gaven elkaar een hand en stookten voor het eerst sinds hun aankomst in Scandinavië, een maand geleden,een groot kampvuur. Voor de laatste keer kropen zij in hun Engelse uniformen in hun slaapzakken, met hun vertrouwde wapens naast zich en zij sliepen die nacht als rozen. De volgende ochtend nadat zij de laatste kruimels van hun rantsoenen opgegeten hadden groeven de vijf mannen een grote kuil waar bijna alle uitrusting in werd begraven. De mannen letten er vooral op dat zij absoluut niets van Engelse makelij bij zich hadden. Zij verkleden zich in burgerkleding: een dikke skibroek, wollen trui en een winddicht jack. In hun rugzakken namen zij alleen wat skiwas, reserve sollen, een mok, een lepel, een half blok pemmican en wat Noors geld mee. Hun eerstt prioriteit was nu om aan voeding te komen, zij waren erg verzwakt geraakt en waren daardoor kwetsbaar om ziek te worden. Ook hadden zij snel een verhaal nodig wat zij aan de Zweedse autoriteiten op de mouw konden spelden zodat zij gekenmerkt zouden worden als politieke vluchtelingen waardoor zij vrij doo Zweden zouden kunnen reizen. Het verhaal kwam als volgt in elkaar te zitten: Zij kenden elkaar niet toen zij door de Nazi’s in een werkkamp bij de plaats Dombås te werk werden gesteld. Zij werden gedwongen hier barakken en opslagplaatsen aan te leggen. Zij waren echter ontsnapt en hadden een verzetsgroep gevormd, die allerlei illegale activiteiten had uitgevoerd. Nar verloop van tijd was hen echter de grond te heet onder de voeten geworden en waren zij naar Zweden ontsnapt. Op in geval van separate ondervraging hetzelfde verhaal op te hangen werd hun basis in Schotland als model voor het werkkamp gebruikt. Zij skieden ongeveer 20 kilometer voordat zij door een Zweedse patrouille werden ontdekt en naar de plaatselijk politiepost werden overgebracht. Zij werden door de Zweden aller vriendelijkst ontvangen en doorgestuurd naar het plaatselijke ziekenhuis waar zij ontluisd en gewassen werden terwijl hun kleding gedesinfecteerd en gedroogd werd. Die avond gingen zij uit eten in een restaurant waar zij genoten van hun eerste fatsoenlijk maaltijd in een maandtijd. De volgende dag werden zij door de autoriteiten verhoord en hun verhaal werd geloofd, hoewel men wel twijfelde gezien het feit dat zij allen vrijwel identieke kleding droegen.
Zij waren nu vrij om te gaan en te staan waar zij wilden zonder enige vorm van bewaking. De mannen reisden eerst naar Kjeseter en vervolgens door naar Stockholm. Hier melden zij zich direct bij de Engelse ambassade die hen rantsoenbonnen en geld gaven zodat zij de tijd tot de eerst volgende boot naar Engeland konden overbruggen. Door SOE in Stockholm werd meteen een telegram naar Bakerstreet gestuurd om hen op de hoogte te stellen dat de groep in goede gezondheid gearriveerd was.
Rønneberg:”De Zweden waren blij dat ze van ons af waren nadat wij ons bij de Engelse ambassade gemeld hadden. Met het geld dat wij van de Britten hadden gekregen gingen wij naar buitensportwinkels om horloges, Silva kompassen, kookgerei, sneeuwschoenen en winterlaarzen te kopen omdat wij wisten dat die niet in Engeland te krijgen waren”.
Het succes van hun ontsnapping leverde hen schouderklopjes op van de leiding van SOE. ‘De zwaarte van deze mars onder winterse omstandigheden, gecombineerd met gebrek aan voldoende voedsel maakt deze ontsnapping zeer gedenkwaardig’. Aldus deze eerste sobere officiële notitie.
Eind maart 1943 vertrokken zij uit Bromma om de Noordzee over te steken en dertig uur later naderden zij reeds de Engelse kust. Het laatste deel van de meest relaxte van de afgelopen zes weken, een trein reis naar Londen. Hier konden zij trots vertellen dat zij een van de meest spectaculaire sabotage acties ooit tot een goed einde hadden gebracht.
Rønneberg herinnert zich van hun aankomst in Engeland zich het volgende:”Bij aankomst kregen wij meteen een kop thee, Het was vreemd om weer op Engelse bodem te staan, maar het was ook een gevoel om weer thuis te zijn. Als wij het over thuis hadden, dan hadden wij het over Noorwegen, maar als ik terug kijk op de oorlogsperiode dan zal ik nooit het hartverwarmende welkom van de Engelsen vergeten. Als je in een pub zat, of ging dansen dan waren de mensen altijd uiterst vriendelijk tegen ons. De meesten wisten hoe het er in Noorwegen aan toe en men wist ook dat dankzij Noorse zeelieden Engeland voorzien werd van de benodigde bevoorrading. Wij voelden ons er nooit te gast, meer als partners met een gemeenschappelijk doel. Sinds de oorlog heb ik het gevoel dat ik twee vaderlanden heb, één waar ik ben geboren en één waar ik gedurende de oorlog gewoond heb”.
Terwijl het succes van de operatie en de geslaagd ontsnapping gevierd werd, sloeg Kolonel Wilson, het hoofd van de Noorse sectie van SOE, de schrik om het hart. Iedereen die op de hoogte was geweest van de actie spraak er vrij over, terwijl van te voren afgesproken was dat de actie vooral geheim moest blijven. De term Zwaar-Water mocht nooit gebruikt worden, zelfs niet in berichten tussen SOE afdelingen onderling.
Toch werd de term Zwaar-Water te pas en te onpas door iedereen gebruikt. Wilson schreef in een notitie aan het Oorlogs Departement het volgende:’Ik heb het gevoel dat de geheimhouding zeer in het gedrang komt wanneer de term Zwaar-Water niet vervangen wordt door de codenaam “Lurgan”. Alles is in het werk gesteld om te doen voorkomen dat de commandoactie in de fabriek van Vemork bedoelt was om de productie van kunstmest stil te leggen. Als het mogelijk is moet het gebruik van de term Zwaar-Water meteen uit alle stukken verwijderd worden. Ik zou het zeer op prijs stellen als daar onmiddellijk mee begonnen kon worden’.
Het probleem was dat het succes van de missie de aandacht van de pers had getrokken en de oproep van Wilsom kwam eigenlijk als mosterd na de maaltijd. De correspondent van The Times in Stockhom had een artikel geschreven over de actie van 15 maart, hierbij had hij ook de term Zwaar-Water gebruikt. Gelukkig voor de regering in Londen was de redactie van de krant wel zo verstanding om niet expliciet uit te leggen waar Zwaar-Water voor bedoelt was. Men ging niet verder dan te schrijven dat het voor oorlogsdoeleinden diende.
Wilson ontving op zijn schrijven een antwoord van het Oorlogs Departement waarin stond dat maar zo weinig mensen wisten waar het voor diende zodat het gebruik van de term Zwaar-Water geen kwaad kon. Verder werd er opgewezen dat ook veel journalisten de term al hadden gebruikt in hun reportages over de sabotage actie. Daarnaast wisten de Nazi’s wat de Geallieerden wisten wat er in de fabriek in Vemork gebeurde en waar het voor nodig was. Wie hield wie nu eigenlijk voor de gek?
De marsroutes van team Gunnerside:
1e dag, 4 maart: Skrykenvann - Lågliberget - Haranatten - Ossjørn - Osseter.
2e dag, 5maart: Osseter - Fetjan - Rambergvannet - Røyrvannet - Grevskarseter.
3e dag, 6 maart: Grevskarseter - Røungen - Ølfisken - Skårsrudvannet - Sorevannet - Nystølsetra.
4e dag, 7 maart: Nystøl - Dokki - Hallingdalselva - Kastet - Langtjern.
5e dag, 8 maart: Langtjern - Mønisetra - Svenkerudvollan - Svarttjern - Røggjen - Frøysandseter -
Nodre Bjødalseter - Fjellstølen.
6e dag, 9 maart: Fjellstølen - Makelausseter - Nysetsjøen - Timannstølen - Bondsetseter -
Vestringsbygda - Aurdalsfjord - Hjelle Olebakkvann - Fjellstølen.
9e dag, 10 maart: Fjellstølen - Skinnanger seter - Slettanseter - N.Etnedal/Smedsrudgård -
Grønnstølvann - Store Tangenseter - Nyseter - Bergskarstølen v/Røssjøen.
8e dag, 11 maart: Bergskarstølen - Steinbusjøen - Sabu - Røssjøen - Storleger- Rokvamseter - Ormsjøen
Dokkaelv - Hornsjødammen - Reinåsseter.
9e dag, 12 maart: Reinåsseter - Rimsjøen - Svartheldbekken - Svatsum - Nyseter - Abbortjern -
Fykenseter - Skeikampen - Gammelseter.
10e dag, 13 maart: Gammelseter - Linnvikseter - Rugakerseter - Losna - Rudderudgård - Boldalsåsen.
11e dag, 14 maart: Boldalsåsen - Glømmenseter - Svartvann - Bjørsjøen - Nyseter - Svartfjellet -
Åstaelv - Gravenseter i Gjesadalen.
12e dag, 15 maart: Gravenseter - Hynnaseter - Åstaelva - Kvarstadseter - Nyseter - Bjørnåsenseter.
13e dag, 16 maart: Bjørnåseneter - Djupåa - Skramstadseter - Vivelstadgård - Glomma - Himsjøen.
14e dag, 17 maart: Himsjøen - Holsetseter - Julussa - Linnberget Gård - Ulvåkjølen - Ulvåa.
15e dag, 18 maart: Ulvåa - Trylsilvegen - Ormåsenseter - renosetseter - Vesleflisa - Svartbekken -
Svenskegrensa v/Grenserøys 106.

weggum.com