PERSOONSKAARTEN NETWERK.



Pieter, zijn vrouw Erna en hun drie kinderen wonen tijdens de oorlog in Amsterdam. Pieter is daar chef bij het bevolkingsregister. Op verschillende manieren helpt Pieter onderduikers aan papieren. Zo haalt hij bij persoonsbewijzen voor joden de letter J weg. Ook gebruikt hij geblokkeerde nummers en geeft op deze nummers nieuwe papieren uit. Op deze manier heeft Pieter minimaal 1000 valse persoonsbewijzen gemaakt.
Op 17 juli 1944 wordt Pieter door de Duitsers gearresteerd, ze hebben geen bewijs tegen hem, maar houden hem als chef verantwoordelijk voor hiaten in het register. De Duitsers zouden na zijn arrestatie tegen zijn vrouw gezegd hebben: “Wir wissen wohl dass Ihr Mann nichts getan hat, aber er hat geduldet, dass Fälschungen im Büro vorgenommen wurden und wenn man das als Chef tut, dann…….”. Pieter wordt naar Vught gebracht en daar op 4 augustus 1944 door de Duitsers gefusilleerd.
In 2007 wordt aan Pieter Landweer postuum de Yad Vashem-onderscheiding ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’ uitgereikt.



Jan Hemelrijk (Arnhem, 28 mei 1918 – 16 maart 2005) was een Nederlandse verzetsstrijder en begaafd statisticus, die nationaal veel voor de verbreiding van de statistiek heeft gedaan.
Jan Hemelrijk haalde zijn gymnasiumdiploma aan het Murmellius Gymnasium te Alkmaar, de school waar zijn vader Jacob Hemelrijk rector was. In 1941 trouwde hij in Amsterdam met Aleid Brandes. De verzetsstrijdster Janny Brandes-Brilleslijper was zijn schoonzuster.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield Hemelrijk zich bezig met het vervalsen van persoonsbewijzen en distributiebonnen. Hij deed dat in zijn functie van vooraanstaand lid van de succesvolle PP-groep. Daarna zette hij zijn studie wiskunde voort en promoveerde op 13 december 1950 bij Van Dantzig met het proefschrift getiteld: Symmetrietoetsen en andere toepassingen van de theorie van Neyman en Pearson.
Hij was tijdens zijn studie al assistent van Van Dantzig en werd later medewerker bij Van Dantzig op het Mathematisch Centrum. Later was hij Hoofd Consultatie van de Statistische Afdeling. Van 1952 tot 1960 was Hemelrijk hoogleraar aan de Technische Hogeschool Delft en daarna tot zijn pensionering in 1983 aan de Universiteit van Amsterdam, als opvolger van Van Dantzig. Hemelrijk was voorzitter van de Vereniging voor Statistiek en Operationele Research (VVS) en hoofdredacteur van het tijdschrift van die vereniging: Statistica Neerlandica. Hij verzorgde ook de eerste televisiecursus Statistiek van Teleac, die in de jaren 1969 en 1970 werd uitgezonden.
Bron: Wikipedia.

Robert (Bob) van Amerongen (Alkmaar, 11 februari 1924 – Bergen NH, 12 mei 2014) was een Nederlands classicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte hij samen met een schoolvriend de verzetsgroep PP op.
Van Amerongen groeide op aan de Wilhelminalaan 22 in Alkmaar. Hij bezocht het Murmellius Gymnasium, waar zijn beide ouders werkzaam waren als docent. Hij was een achterneef van de journalist Martin van Amerongen.
Van Amerongen had een Joodse vader. Toen die in november 1940 werd ontslagen, verliet hij uit protest ook de school. In 1943 richtte hij samen met zijn schoolgenoot Jan Hemelrijk, zoon van de rector, de Amsterdamse verzetsgroep PP op, om hun vaders uit handen van de Duitsers te houden. Andere leden van de groep waren onder anderen de slaviste Tini Israël en haar vriend Karel van het Reve. De groep zorgde voor onderduikadressen, valse persoonsbewijzen en bonkaarten.
Via Van het Reve leerde Van Amerongen diens broer Gerard Reve kennen en werd lid van zijn leesclub. Van Amerongen stond model voor de figuur van Viktor Poort in de roman De Avonden (1947).
Na de oorlog studeerde Van Amerongen Klassieke talen aan de Universiteiten van Amsterdam en Utrecht. In 1952 deed hij doctoraal examen in Utrecht. Daarna was hij vier jaar assistent aan de universiteit. In deze periode werd hij ook docent aan het Stedelijk Gymnasium Haarlem. Van 1965 tot 1974 was hij rector van deze school. De latere burgemeester van Amsterdam Job Cohen was een van zijn leerlingen. Nadat een pleegzoon in 1973 aan drugsgebruik was overleden, nam Van Amerongen ontslag.
In 1974 werd hij werd hoofd van de Afdeling Voorlichting en Preventie van de Federatie Zorginstellingen Alcohol en Drugs (FZA) in Bilthoven, verscheen in die hoedanigheid regelmatig in de media, en werd zo 'het gezicht' van de alcohol- en drugvoorlichting in Nederland. Van Amerongen schreef een aantal boeken over alcohol- en drugspreventie, waaronder: Drugs en drank; informatie over gebruik en misbruik. In 1984 ging hij met de VUT en verhuisde hij naar Camperduin.
Van Amerongen overleed in 2014 op negentigjarige leeftijd, in een zorginstelling in Bergen NH aan de ziekte van Alzheimer.
Bron: Wikipedia.







Kamp Dorohucza was gelegen in het woiwodschap Lublin, even ten oosten van het dorp Dorohucza. Het was een werkkamp van de nazi's. De SS bouwde dit werkkamp in het kader van Aktion Reinhard.
Oorlogsmonument nabij voormalig kamp Dorohucza (op de kruising van weg 12 met de 838).
Het kamp lag ten zuidwesten van kamp Sobibór en ten noordwesten van kamp Trawniki. In Sobibór werden veelal de arbeiders voor Dorohucza geselecteerd. Jules Schelvis was een van hen. Het kamp ressorteerde aanvankelijk onder het kamp Trawniki. Vanaf september 1943 was het een nevenkamp van kamp Majdanek. Het kamp bestond van 13 maart tot 3 november 1943 (begin aktion Erntefest). De arbeiders moesten turf steken in de omgeving van het kamp. Het was de bedoeling dat de veelal joodse arbeiders zich letterlijk dood zouden werken. Aan weg 12 van Lublin naar Chelm bij de kruising met de 838 naar Trawniki is de infrastructuur van het kamp nog te herkennen. Verder zijn er geen resten. Aan de overkant van weg 12 staat een oorlogsmonument dat geen relatie heeft met het voormalige kamp.
Het kamp bestond uit drie ongeveer even grote barakken. Zij waren in een U-vorm rond de appelplaats gebouwd. Deze barakken kwamen uit het vernietigingskamp Treblinka. Het voor de gevangenen bedoelde terrein was omgeven met prikkeldraad. Buiten de omheining stond een barak voor de SS. Links en rechts daarvan stonden barakken voor de Trawniki. In een van die gebouwen was tevens de keuken gevestigd. Er was één wachttoren en een permanent bemand machinegeweer.
SS-Hauptscharführer Gottfried Schwarz was de eerste commandant van kamp Dorohucza. Op 21 juni 1943 werd hij bevorderd tot SS-Untersturmführer. Heinrich Himmler deed dit vanwege de grote verdienste van Schwarz bij de uitvoer van Aktion Reinhard. De laatste commandant van Dorohucza was Fritz Tauscher. Onder leiding van Karl Diner namen de Trawniki de bewaking van de gevangenen voor hun rekening. De Kapo's waren van Poolse en Nederlandse afkomst.
Stolperstein in Leiden voor Louis van Tijn, in nov. 1943 vermoord in Dorohucza
De levensomstandigheden in kamp Dorohucza waren erbarmelijk. De gemiddelde levensverwachting was dan ook slechts enkele weken. Tweemaal daags kregen de gevangenen een zwarte vloeistof die koffie werd genoemd. Drinkwater kregen zij niet. Verder was er dunne soep van zuurkool en transparant hondenvlees. Men kon zich wassen in de beek.
Waarschijnlijk hebben 700 Nederlandse joden in kamp Dorohucza moeten verblijven. Daarnaast verbleven er honderden Poolse joden uit het getto van Warschau. Daar er weinig werd geregistreerd, zijn juiste getallen moeilijk te reproduceren. Aktion Erntefest maakte een einde aan het bestaan van kamp en inwoners. Slechts 16 Nederlandse joden, onder wie drie mannen, hebben het kamp overleefd.


Kan dit de genoemde Albert ter Veen zijn?






Edward John Voûte (Amsterdam, 17 september 1887 – aldaar, 18 juni 1950) was regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam van 1941 tot 1945, tijdens de Duitse bezetting.
Voûte was de zoon van Meinhard Voûte (1851-1933) en Catherine Henriette Perk (1863-1942). Zijn vader was koopman in Amsterdam. Zijn moeder was een zus van de dichter Jacques Perk.
Voûte had zijn jeugd doorgebracht in Nederlands-Indië, waar zijn familie fortuin had gemaakt. Hij trouwde in 1914 in Arnhem met Ernestine Louise Fransen van de Putte (1891-1965). Zij kregen tussen 1915 en 1922 drie zoons.
Hij maakte carrière bij de marine – hij werd luitenant-ter-zee 2e klasse – totdat hij in 1915 wegens lichamelijke onwel zijn werd afgekeurd. Daarna kon hij aan de slag bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Hij was ook procuratiehouder van de Amsterdamse Pakhuismeesters van de Thee. Politiek actief was hij in zijn woonplaats Bergen in de provincie Noord-Holland, in de liberale Middenpartij.
Van 1925 tot 1941 was Voûte secretaris van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. In 1938 organiseerde hij een aardrijkskundig congres, waarbij hij de Duitse delegatie beschermde tegen internationale kritiek. Door het contact dat aldus ontstond, was hij in 1940 na de intocht van de Duitsers een kandidaat voor een vrijgekomen bestuurspost. Na de Februaristaking (1941) werd het zittende Amsterdamse gemeentebestuur door de Duitsers ontslagen en werd Voûte daar door hen benoemd tot regeringscommissaris en burgemeester. Om zijn positie te versterken meldde Voûte zich aan bij de Germaansche SS in Nederland.
Na het overlijden van de Amsterdamse hoofdcommissaris Sybren Tulp in oktober 1942 werd Hans Krenning in januari 1943 belast met het waarnemen van de functie van hoofdcommissaris. Kort daarvoor was al duidelijk geworden dat de politieorganisatie herzien zou worden. De nieuwe organisatie ging in op 1 maart 1943, waarmee acht grote steden, waaronder Amsterdam, staatspolitie kregen onder leiding van een politiepresident. Procureur-generaal Jan Feitsma werd waarnemend politiepresident in Amsterdam, eind maart werd Voûte benoemd tot waarnemend politiepresident in Amsterdam en in december van dat jaar werd hij opgevolgd door Henri Arend van Hilten.
Voûte was geen lid van de NSB. Hoewel hij pogingen had gedaan de maatregelen van de Duitsers hier en daar wat af te zwakken, gold hij toch als een willig werktuig in de handen van de bezetter. Nadat de kansen in de oorlog gekeerd leken na de slag bij Stalingrad (1942-1943) werd hij kritischer en probeerde hij aansluiting te vinden bij dat deel van de politie dat zich wilde onttrekken aan de Jodenvervolging. Door de bijzondere rechtspleging na de oorlog werd zijn collaboratie betrekkelijk mild veroordeeld; in 1947 kreeg hij drie jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd, wat overeenstemde met het voorarrest. In 1950 moest hij zijn koninklijke onderscheiding inleveren. Hij overleed op 62-jarige leeftijd.
Godfried Frans Maria baron van Voorst tot Voorst (Groningen, 9 oktober 1907 – Den Bosch,
4 september 1983) was een Nederlands burgemeester.
Hij werd geboren als zoon van Eduard Louis Alexander baron van Voorst tot Voorst (1878-1944) en Maria Clementine Jacoba barones van Hövell van Westervlier en Weezeveld (1883-1961). Hij was volontair bij de gemeentesecretarie van Vught voor hij vanaf april 1939 zeven jaar burgemeester was van Ouder-Amstel. Later werd hij chef van de afdeling sociale zaken van de gemeentesecretarie van Steenbergen en in 1958 volgde opnieuw een benoeming tot burgemeester en wel van de gemeente Den Dungen. Hij ging daar in 1972 met pensioen en overleed in 1983 op 75-jarige leeftijd.
Kan dit de genoemde M. ten Hoeve zijn?