REISVERSLAG.
I.
De scheepvaart in Nederland, zoals ik die heb kunnen waarnemen van zomer 1942 tot zomer 1943, was van zeer beperkte omvang. Op Amsterdam werd in het geheel niet gevaren, zodat behalve de kustvaart op Groningen en Delfzijl, er geen andere vrachtvaart bestond dan die op Rotterdam.
Hieraan werd door slechts acht schepen onder Nederlandse vlag, allen voor hun eigen maatschappijen varend deelgenomen en verder nog door twee schepen die oorspronkelijk aan de KNSM toebehoorden, maar eenmaal door de Kriegsmarine in beslag genomen, later aan de zogenaamde Oostzee-rederij, een onderdeel van de Oostland-Compagnie van Rost van Tonningen werden teruggegeven. Laatstgenoemde twee schepen zijn de VESTA en de ORION; ze varen onder de zogenaamde Princevlag.
De eerstgenoemde acht schepen zijn: MAASBURG en STAD DORDRECHT van de Halcyon Lijn te Rotterdam; BEVERWIJK, NOORDWIJK en RANDWIJK van de NV Erhardt & Dekkers te Rotterdam, en EEM, GOUWE en RIJN van de Mij. Houtvaart NV Vinke te Rotterdam.
Behalve de genoemde Nederlandsche schepen varen op Rotterdam nog verscheidene Duitse- Zweedse-, Deense- en Noorse schepen, hoewel de laatste (Noren) er slechts zeer weinig kwamen, evenals een paar Belgische- en Italiaanse schepen.
Van bovengenoemde Nederlandsche schepen hebben slechts de drie houtboten van Vinke de Nederlandse vlag op de zijden, de brug en presennings geschilderd!
Wanneer een van deze schepen op een Nederlandsche werf komt te liggen , meestal voor vergezochte reparaties of voor een nieuwe mijnenafweerkabel, dan duurt het buitengewoonlang voor de werkzaamheden zijn voltooid, tengevolge van de langzame arbeid der soboterende arbeiders en ook door het slechte harmonieren der verschillende Duitse instanties die daarbij de gang van zaken leiden.
Voor Nieuwjaar 1943 was de MAASBURG bewapend met een 2 cm kanon op het voorschip en een 2 cm kanon op het achterschip, verder ter hoogte van de bovenbrug aan weerszijden een 7,9 mm machinegeweer. Na Nieuwjaar 1943 kreeg genoemd schip in plaats van deze beide MG's twee 2 cm kanons op zwaardere bordassen, een aan ieder zijde van de bovenbrug.
De STAD DORDRECHT is op dezelfde wijze en even sterk bewapend als de MAASBRUG voor Nieuwjaar 1943.
Voor zover mij bekend, zijn de schepen van Vinke slechts bewapend met mitrailleurs (van 7,9 mm) aan weerszijden van de bovenbrug één. Bovendien hebben de Vinke boten een kanon op het achterschip.
De schepen van Erhardt & Dekkers hebben, behalve de goemde machinegeweren op de brug, ook nog een 2 cm kanon op het voorschipof op het achterschip, of op beiden.
In genoemde periode heb ik nooit een Zweeds- of Deens schip gezien met Duitse Marinebordflak bewapend; vrijwel alle Nederlandse- Noorse- Finse- en Duitse en Italiaanse schepen in het vaargebied van de Noordzee en Oostzee hebben Duitse, slechts Duitse Marinebordflak aan boord; bij alle bovenstaande gegevens zijn de zogenaamde coasters, motorschoeners en andere kleine vaartuigen buiten beschouwing gelaten, wat zij ook verder zullen blijven.
Toen wij op 17- en 18 Mei 1943 in convooi van Rotterdam naar Cuxhaven voeren, was de STAD DORDRECHT, en mogelijk ook nog andere schepen, behalve van de bovengenoemde bewapening, voorzien van twee zogenaamde Raketenwerfer, die een paar meter achter de brug aan dek opgesteld waren. Deze Raketenwerfer is een soort van lanceertoestel, dat doormiddel van gecomprimeerde lucht een projectiel omhoog schiet tot een hoogte van 1000 á 1500 meter, waaruit dan een klein valscherm te voorschijn komt, waaraan een metalen draad hangt die tot bijna het zeeoppervlakte reikt. Deze projectielen werden afgeschoten onder een hoek van 70 á 80 graden, zodat zij niet ver van het schip een soort van draadversperring vormden, toen Engelse vliegtuigen het schip naderden van zeer nabij.
Voor de grotere aanvallen der geallieerde lucht- en zeestrijdkrachten omstreeks Mei 1943 op de Duitse convooien voor de Nederlandse kust bestond er dus een tamelijk drukke vaart tussen de Duitse Noordzee havens en Rotterdam. Bij deze vaart vervoerden vrijwel alle Nederlandse en buitenlandse schepen kolen of cokes naar verschillende Duitse Noordzee- en Oostzeehavens.
De beide Halcyon schepen gingen daarbij steeds naar Hamburg en vandaar des zomers naar Lulea en des winters naar Oxelösund in ballast om vandaar erts terug mee te namen naar Rotterdam.
De Vinke schepen gingen van Duitsland naar Finse- of Zweedsehavens des zomers om hout naar Rotterdam te brengen. Des winters voeren deze met kolen naar Duitsland en in ballast terug naar Rotterdam.
De schepen van Erhardt & Dekkers gingen van Duitsland naar Zweedse, Finse of Baltische havens, vanwaar zij met ladingen van diverse aard naar verschillende Duitse, of door Duitsland bezette havens, terug gingen.
Na genoemde geallieerde aanvallen in mei 1943 werd de vaart op Rotterdam sterk ingekrompen en gingen bijvoorbeeld vrijwel alle schepen met ertslading naar Emden, ook enkele naar Delfzijl, Hamburg en Bremen. Vele schepen met andere lading gingen ook niet verder dan Elbe, Wezer of Eems, zo bijvoorbeeld de Vinke schepen met hout naar Delfzijl. Een gevolg van deze beperking van het vaargebied was dat zich steeds min of meer grote opeenhopingen van schepen bevonden in Emden, Delfzijl, Bremen en Hamburg en bovendien op de rede van Altebruch (op de Elbe) en op de rede van Borkum om op convooi te wachten.
Het lossen der schepen ging slechts langzaam en er moest veel op torn gewacht worden tengevolge van gebrek aan lichters, spoorwagons en havenarbeiders (waarvoor vrijwel uitsluitend krijgsgevangenen van verschillende nationaliteiten worden gebruikt).
De Nederlandse schepen zijn uitsluitend met Nederlanders bemand, waaronder voor zover bekend geen NSB-ers. Momenteel bevinden zich op de Duitse schepen ook veel Nederlanders en personen uit andere bezette gebieden die gedwongen zijn daar dienst te doen als Matroos, Soker of civiel personeel. Geen dezer Nederlanders vaart uit enthousiasme voor de Duitsers, dus zuiver en alleen om dat ze gedwongen worden of voor de instandhouding van hun gezin.
De vaart en bestemming van de schepen wordt geheel bepaald door de Duitse militaire- instanties, zodat rederijen over hun eigen schepen niets meer te vertellen hebben.
II. Het varen in de Duitse convooien.
Op de door de Kriegsmarine bewapende schepen is steeds bewapening en bedieningspersoneel aanwezig op alle vaarroutes tussen Rotterdam en Kiel-Holtenau. De bewapening die de Nederlandse schepen daarbij hadden is reeds in het vorige hoofdstuk vermeld. Bovendien hadden alle handelsschepen uit de convooien van- en naar Rotterdam één of twee sperbalons boven zich, naal gelang hun grootte. Verder had ieder van de laatstgenoemde schepen een B.O. (Begleitung-Offizier) en een aan hem toegevoegde Signaler (seinersmaat) aan boord.
De opstelling der convooien van en naar Rotterdam was steeds ongeveer als volgt: alle handelsschepen in twee kiellinies naast elkaar. Voor ieder kiellinie twee mijnenvegers. Bijna nooit grote zogenaamde "Sperrbrecher". Op ieder flank van de groep koopvaarders voeren twee of drie zogenaamde Voorpostboten (dat zijn bewapende trawlers) eveneens in kiellinie. De voorgeschreven afstand die tussen de mijnenvegers en de voorste koopvaarder is 500 meter, die tussen de koopvaarders koopvaarders onderling is 400 meter. Aan de correcte handhaving van deze afstanden mankeert iets tengevolge van verschillende omstandigheden vooral door de verschillende snelheden der schepen. De gemiddelde snelheid dezer convooien bedraagt ongeveer 8 mijl per uur. Op de koopvaardijschepenwordt in het algemeen slechts zeer weinig genavigeerd. Ieder schip stuurt op zijn voorligger, de voorste koopvaarders op de mijnenvegers. Aan boord van deze mijnvegers wordt genavigeerd, één van hen is de zogenaamde Richtungsboot, die de leiding van het convooi heeft. Het is den stuurlieden van de koopvaarders verboden koersen, posities, afstanden en tijden in de kaart of in het journaal aan te geven. Slechts zelden werden deze convooien door vliegtuigen begeleid.
Voor zover bekend hadden de koopvaarders in de convooien, die van de Elbe niet verder gingen dan WEzer of Eems nooit sperrballons. Ook voeren deze laatstgenoemde convooien soms in één kiellinie in plaats van in twee, terwijl slechts de voorste schepen en verder de grotere een B.O. aan boord hadden.
Op enige militaire schepen voor begeleiding waren of twee voorposten boten. Mijnevegers waren meestal in het geheel niet aanwezig. In plaats daarvan deden een vier- of vijftal voor het convooi steeds af- en aanvliegende Junkers Ju-52 toestellen met een grote horizontale ring onder de romp dienst als zogenaamde Sperrbrecher tegen magnetische mijnen.
De plaatsen waar de schepen, die op convooi moesten wachten, zich verzamelen en waar ook de gearriveerde convooien voor anker zijn vooral: de rede van Borkum (in het Ranselgat) en de reede van Altebruch (op de Elbe).
Meestal gingen de Nederlandse schepen zonder bewapening en zonder Duitsers aan boord van Holtenau uit de Oostzee in. De laatste tijd echter is het meerdere malen voorgekomen dat slechts de twee machinegeweren op de beide brugflanken, benevens vier of vijf bedieningsmanschappen daarvoor, gedurende de vaart op de Oostzee aan boord bleven. Tijdens het gehele varen door de Zweedse territoriale wateren waren deze wapens en bijbehorende munitie benevens de radio-apparaten van het schip door de Zweedse marine verzegeld. Hier en daar werden de zegels streng gecontroleerd. Het was den Duitsen militairen verboden in Zweden aan land te gaan.
In de KIELER-FÖHRDE liggen ook zeer veel schepen voor anker, voor controle door de Gestapo, of voor het aanbrengen, verwijderen of verwisselen van het boordgeschut.
Soms werden wij, in de Oostzee varende, gewaarschuwd van de zijde der Zweeds marine dat er duikbootgevaar (Russisch) bestond, om welke reden wij dan des nachts ten anker gingen in de Zweedse territoriale wateren.
III. Aanvallen op zee.
Op 17 Mei 1943 des morgens ten 03.40 uur waren wij uitgevaren uit Rotterdam. Passeerden ten 06.15 uur de uiterton van Hoek van Holland. Toen wij even na de middag (MEZT) tussen Bergen en Camperduin voeren op ongeveer 4 mijl uit de kust, was het plotseling luchtalarm (vlag D van het Internationale Seinboek voorgehesen, of lang-kort-kort op de stoomfluit). Tegelijk werd door de kustluchtafweer het vuur geopend. Wij zagen een Engels vliegtuig boven de duinen vliegen. Nog ten Zuiden van Camperduin zwenke het toestel naar zee en vloog in N.W. richting verder. Het afweervuur hield op. Op ongeveer 1½ mijl uit de kust, dwars van Camperduin maakte het toestel (mogelijk een Bristol Blenheim *) in de vliegrichting een wenteling om zijn lengte-as (precies als een snelle rol) en viel over bakboord wegscherend van geringe hoogte in zee. Van toestel of inzittenden is niets meer gezien. Het convooi voer door als of er niets gebeurd was. (Voor de samenstelling van convooi; zie schets 1).
Des namiddag om 16 uur 50 toen het convooi zich dwars van het Eierlandse Gat (ten noorden van Texel) bevond, naderden plotseling vanuit W.N.W. richting op zeer geringe hoogte 20 a 25 Engelse vliegtuigen, die onmiddellijk ons convooi aanvlogen en naderbij gekomen het gehele convooi met torpedo's en bommen aanvielen. Onze B.O. die op dat moment juist in de kaartenkamer zat te 'pitten', was reeds onmiddellijk bij het signaleren der vliegtuigen gewaarschuwd. Zijn ogen puilden uit van angst toen hij de Tommies aan zag komen. Hij klemde zich aan de schuilplank van de brug vast en vergat zelfs om bakboordroer te commanderen, toen de torpedo's gelanceerd werden. Maar ik moet eerlijk bekennen dat wij, de 1e stuurman en ik, die op de brug waren en de anderen aan dek en beneden het ook geen van allen 'breed' hadden, hoewel niemand dat wilde laten merken. Zo gauw als het boordgeschut en de kleine oorlogsschepen konden, hadden zij het vuur geopend, alles tezamen een zeer zwaar afweer-vuur. De orde in het convooi verband was meteen zoek: er onstonden geheel verkeerde afstanden tussen de schepen, het eene schip ging veel te ver naar stuurboord het andere naar bakboord. Het was een hels lawaai van explosies en motoren gedaver. Bommen vielen rondom en de toprpedo's baanden zich recht op sommige schepen toe en tussen andere door. Vlak voor ons schip ronkte een drie-motorige vliegbootlangs, die aan stuurboord van ons in een bocht vlak over het water scheerde. De aanval moet slechts seconden geduurd hebben, maar het leek minuten te duren. Toen de golf over ons heen gegaan was merkten wij dat het Duits vrachtschip "Kyphissia" door een torpedo getroffen was.
het 2964 BRT metende schip, dat twee plaatsen voor ons voer, bleef met slagzij liggen en zonk enige uren later.
Vlak nadat de "Kyphissia" was geraakt, werd de achterste voorpostenboot, aan stuurboord van het convooi varende, zo zwaar getroffen dat deze binnen een halve minuut met het grootste deel van de bemanning in de golven verdween.
Het derde en laatste schip dat zwaar getroffen werd, was één van de beide mijnenvegers voor de bakboord-kiellinie der koopvaarders.
Het schip bleef eveneens stil liggen en toen wij passeerden was er een andere mijnenveger langs zij gekomen. Een aantal doden en gewonden op het achterdek konden wij duidelijk onderscheiden en een zware stoom en rook ontwikkeling wekte de indruk dat de machinekamer getroffen was. Na wij later van een opvarende van deze getroffen mijnenveger vernamen was deze zowel door een bom op de brug als door de torpedo in het hek getroffen en na korte tijd gezonken. Dit laatste is ook door ons waargenomen. Voor zover ons bekend is bij deze aanval geen der koopvaarders beschadigd. Of er bij de Kriegsmarine vaartuigen beschadigd zijn is door ons niet waargenomen, doch dit dit moet wel het geval geweest zijn, aangezien er enkele niet verder met het convooi meegevaren zijn. Enige tijd na de aanval werd de opstelling van het convooi gewijzigd, zie hiervoor schets 2.
In de nacht van 17 op 18 Mei werd de samenstelling van het convooi wederom gewijzigd; de koopvaarders werden namelijk weer in twee kiellinies opgesteld, met voor iedere kiellinie één der beiden reeds gearriveerde grote zogenammde 'Sperrbrecher' dat wil zeggen special voor dit doel omgebouwde en ingerichte handelsschepen, die vrij zwaar bewapend zijn en een behoorlijke snelheid kunnen ontwikkelen (meestal motorschepen).
In de deze opstelling (zie schets 3) arriveerden wij dinsdag 18 Mei even na de middag voor Cuxhaven, waar het convooi ontbonden werd.
Alle zes koopvaarders waren in Rotterdam geladen met kolen of cokes voor Hamburg. De "Stad Dordrecht" ging 18 Mei ten 21:10 voor de Parkhafen op de Elbe ten anker, de volgende morgen om 04:20 anker op om op te stomen naar Hamburg waar wij om 6 uur tegen de kant meerden in de tweede Seehafen met een lading van 5820 ton kolen. Tenslotte vermelden wij nog dat slechts onze roerganger met stelligheid beweerde dat hij één Engels vliegtuig in zee heeft zien vallen. Niemand van onze 30 Nederlandsche overige opvarenden heeft in Engels vliegtuig zien neerschieten. De Duitsers echter beweerden er drie te hebben neergeschoten!
*) 17 mei 1943 12:13 uur B-26 B 41-18086 322BG/450BS Noordzee 9km van Castricum
Joseph A Jones Pilot 1/Lt. PHO-791700 USAAF. Geboren Circa 1920
Anthony A Alaimo Co-Pilot 2/Lt. O-664487 USAAF Survived pow
Norris K Calkins Navigator/Bombardier 2/Lt. O-731020 USAAF. GEboren 31-07-1922
Marvin Leslie Harbour Engineer Sgt. 18002633 USAAF. Geboren 14-01-1922 Cleburne USA
Robert P Steffen Radio Operator T/Sgt. 36207782 USAAF. Geboren Circa 1919
Milton E Littrell Tail Gunner S/Sgt. 14069802 USAAF. Geboren Circa 1919
Toen wij 1ste Pinksterdag des morgens om 09:20 op de rede van Holtenau ten anker lagen, te wachten op verwisseling van het boordgeschut, om daarna naar Lulea te gaan, begon onverwachts een groot aantal zogenaamde nevelboten de Kieler-Baai in te nevelen. Overal rondom aan de wal werd ook ingeneveld. Even later werd luchtalarm gegeven, korte tijd daarna verschenen de geallieerde vliegtuigen boven Kiel. De aanval duurde van ongeveer 09:30 tot 10:15 uur. We hebben enkele groepen van ongeveer 20 vliegtuigen, die vanaf zeer grote hoogte bombardeerden, gezien. Tengevolge van de zeer zware inneveling hebben wij hen niet nauwkeurig kunnen waarnemen waar de bommen insloegen. Voor zover ons bekend is geen enkel van de zeer vele schepen; die daar dien morgen ten anker lagen getroffen. Toen de nevel opgetrokken was zag wij op het land aan de oostzijde van de Kieler-Baai tegenover de sluizen van Holtenau en noordelijk hier en daar kleinere branden met rookontwikkeling. Het luchtalarm eindigde om ongeveer 10:30 uur.
IV. De vernietigede bombardementen op Hamburg van Zaterdag 25 Juli tot Woensdagavond 28 Juli 1943.
Zondagmorgen 18 Juli 1943 ten 7 uren meerden wij tegen de kade van de Gasanstalt Grasbrook in het Freihafengebied van Hamburg om aldaar een lading gaskolen te lossen, waarmee wij 16 Juli uit Emden waren vertrokken. Het lossen duurde van Zondagmorgen 07:30 uur tot Donderdag 22 Juli 12:30 uur. Dadelijk daarna verhaalden wij naar Hansahafen, waar wij op de palen meerden om onze bunkers te doen lossen. In Emden hadden wij namelijk zeer slechte bunkerkolen gekregen, (alles stenen en gruis) die 30% as opleverden en waarmee wij slechts 3 a 4 mijl konden lopen. Deze lossing geschiedde geheel met manden op de winch door Russen, Denen, Belgen, etc onder leiding van Duitse voorlieden. Aangezien men met deze manier van werken slechts zeer langzaamvorderde, was Zaterdagavond 21 Juli nog slechts ruim de helft der bunkerkolen gelost. De "Noordwijk", die van Lulea kwam met erts. meerde dien morgen aan BB van ons om op torn te wachten voor lossing. Het was dien dag prachtig weer geweest en de Zaterdagnacht was donker en windstil; ideaal weer voor de Tommies!
Hald één werd zogenaamd "vooralarm" geblazen, even daarna was het alarm en korte tijd later kwamen de vliegtuigen. De eerste bommen vielen ver van ons af, maar het duurde niet lang of het zware gedreun der inslaande bommen kwam dichterbij en dichterbij. Het hartverscheurend geloei kwamen de bommen aansuizen en niet alleen de stad maar ook havens, werven, opslagplaatsen, etc werden zwaar getroffen. Het zware afweervuur, de bomexplosies en het angstaanjagende gehuil der vallende bommen maakten tezamen een hels lawaai. Overal rondom grote branden. Als er in onze omgeving bommen vielen schudde het schip en éénmaal werd het een stuk opgetild door een in de onmiddelijke nabijheid ontploffende bom. Hier en daar hingen de valschermlichten hun felle licht te verspreiden. Ook onze situatie werd er niet beter op toen zo'n fakkel boven ons begon te branden, maar ook dat kwartiertje overleefden wij hoewel onze zenuwen zwaar op de proef werden gesteld. Eindelijk verminderde het lawaai en om ongeveer 02:00 uur was de aanval afgelopen.
Vanaf de brug zagen wij geweldige branden in de stad, maar ook hier en daar in de havengebieden. Toen wij de volgende morgen uit de kooi kwamen was het nog donker en de ghele morgen bleef het schermerig. De lucht was bruin van de rook en opgejaagde as. De zon stond als een bloedbal aan de hemel en eerst tegen de middag begon het lichter te worden. De gehele Zondag bleef het as en half verbrand papier regenen.
's Middags kwam er nog een kortee maar hevige aanval van een groot aantal mosquito's die Blom & Voss en omgeving nog even kwamen toedekken.
Zondagavond gingen wij naar de stad. Nadat wij een heel eind tussen uitgebrande 'Schuppen', kapotte kranen en brandende olieopslagplaatsen gelopen hadden en eindeloze rijen zwaar bepakte vluchtelingen tegen kwamen, arriveerden wij bij de Argentinien-Brücke, vanwaar wij na een uurtje wachten eindelijk één der nog weinige overgebleven 'Fähre' konden overvaren. Ten N.W. van de Argentinien-Brücke stond een aantal olietanks hevig te branden met dikke zwarte rookwolken er boven.
Vanaf de 'Fähre' zagen wij ook niets dan zware verwoestingen aan beide zijden. Bij Blauwall, waar ons de hitte ons tegen kwam, stapten wij af en daar kregen wij de eerste indruk van de mate waarin de stad toegetakeld was. Behalve de historische opslagplaatsen van het aangrenzende vrijhaven gebied, die daar in lichter laaie stonden, zagen wij dat Blauwall en Vorsetzen met hun zijstraten vrijwel niet meer bestonden. Als Griekse tempelruines stonden enkle afgebrokkelde wankele gevelmuren nog omhoog met hier en daar een gescheurd huis zonder ruiten ertussen.
Van de getroffen Hochbahn hingen de ijzeren flarden naar beneden. De rook was verstikkend en onze ogen werden rood van de rondzwevende asjes. De meeste mensen liepen dan ook met verbandgaas voor hun ogen en zakdoeken voor hun neus en mond gebonden. Gered meubilair etc stond in lange rijen onder de Hochbahn. Naast de ingang van de Hansa-Hafen stond het "Hansa" schip "Moltkefels" met het "Deutsche Werft" dok, waar het instond incluis, op zijn neus. De gehele 'Landungsbrücke' was uitgebrand, 'Fähre' bootjes inbegrepen. Van de Elbe tunnel ingang was de koepel-1 afgerukt. Toen wij kwamen, waar eens het beroemde St. Pauli was, konden wij bijna niets meer terugvinden: dit was zo goed als weggevaagd: overal moesten wij over de puinhopen heenklimmen om verder te kunnen gaan, zodat onze schoenen vol gruis en glassplinters raakten. De roemruchte 'Reeperbahn', eenmaal het centrum van vermaak, was vertrokken, puin en nog eens puin met hier en daar ruineswaren nu, waar één dag tevoren nog duizenden hun amusement hadden gevonden.. Slechts het "Allotria" theather, dat nu talloze daklozen herbergde en enkele kleiner zaken stonden nog overeind. "Lilliput", Lausen, Mencke, Mehrer, Wilhelmshalle, Panopticum, Grenzhaus, Walhalla en nog veel meer waren weggevaagd. "Old Cap Horn" en "Heinzelmännchen" stonden schuin tegenover elkaar in een zee van vlammen. Hiertussen door moest men hard lopen vanwege de verzengende hitte. Half uitgewerkte brandbommen stonden rechtop in het plaveisel. Op de hoek van de Davidstrasse en de Reeperbahn was een geweldige bomtrechter midden in de trambaan met vele daklozen en andere voorbijgangers in de onmiddelijke omgeving. Toen wij een urr later terugkwamen was er bij de bomtrechter een groot bord geplaatst met het veelzeggende woord "Blindgänger" erop. Ook in de aangrenzende en omliggende straten woedde geweldige branden en was bijna alles wat nog overeind stond door zware explosies onherstelbaar beschadigd, zoals de Gr. freiheit, etc. Vooral op de Reeperbahn zwierven en zaten vele duizenden daklozen midden op straat. Zo zagen wij het voormalige St. Pauli, maar Altona was nog erger. Daar waagden wij ons echter niet, aangezien dit levensgevaarlijk was vanwege blindgangers en op de instorten staande ruines. Niet alleen deze beide-, maar alle stadsdelen van Hamburg waren onherstelbaar beschadigd of geheel verwoest. De hulpverlening was niet in staatom zoveel gedupeerden spoedig te helpen. De brandweer kon het ook lang niet af en het viel op dat wij weinig politie zagen. De volgende dagen merkten wij ook dat het luchtalarmerings systeem geheel in de war lag. Over het algemeen bleek de organisatie onvoldoende te zijn: de chaos was volkomen.
Toen wij om elf uur weer terug aan boord wilden, moesten wij ruim 1 uur wachten voordat wij met de enige nog bestaande Fähre-dienst van Baumwall naar een willekeurig punt aan de overkant konden. Vanwege de grote drukte was voor deze dienst zogenaamd 'Frei Verkehr' ingesteld. Gedurende het wachten konden wij prachtig de anti-Nazi stemming en de oorlogsmoeheid der bevolking waarnemen. Een politie beambte zei tegen ons:"Vor dem Krieg sagte Hermann: Ich soll Meyer heiszen, wenn auch nur ein Englisches Flugzeug oben Deutschland kommt. Jetzt heisst er Meyer!" Toen dezelfde man nog meer spottende opmerkingen maakte, kwam er een jonge matroos op hem toe, waarmee hij bijna ruzie kreeg, omdat hij alles tegen buitenlanders stond te vertellen. Een ander schimpte op de bekende reclameplaat in trams: "Der totale krieg führt zum totalen Sieg!" "Guck mal 'rum" voegde hij er sarcastisch aan toe. Een eind verder werd er hevig gescholden op degenen, die nu nog Heil Hitler zeiden, maar toen de Gestapo langs kwam verstomden zij plotseling: "Anders lomen wij voor de mitrailleur!" zeiden zij.
Toen wij eindelijk aan de overkant stonden moesten wij weer een heel eind omlopen voordat wij bij de Oswaldquai stonden, waar 'De Stad Dordrecht' schuin tegenover lag. Onderweg hier naar toe kwam er weer een aanval, die in verhouding tot de vorige aanvallen betrekkelijk licht en trouwens vrij ver van ons af was. Wij zaten echter van 12:30 uur tot 13:00 uur in een schuilkelder en waren eerst om half twee aan boord terug.
De gehele maandag was het nu en dan gedurende langere of kortere tijd luchtalarm. Geheel onverwachts hoorden wij om ongeveer 11:00 uur des morgen een zware ontploffing: nog juist zagen wij een hoge vlam boven de grote gashouder van de Gasfabriek van Grasbrook oplaaien, voordat genoemde gashouder als een lekke harmonica in elkaar zakte. De rest van het complex begon met dichte zwarte rookwolken te branden. Waarschijnlijk was deze ontploffing het gevolg van een tijdbom of een door de gasbuizen heen geslagen vlam. De nerveuze stemming bleek weer duidelijk, want onmiddelijk hierna werd groot-luchtalarm gegeven terwijl er geen vliegtuig te bekennen was of kwam opdagen!


Gezonken Noors schip in de haven van Hamburg. © NARA.
Zo heeft Sjoerd Sjoerdsma Hamburg gezien in Juli 1943.
Later zagen wij juist op de plaats waar wij eerst gelegen hadden de Deense boot 'Mette' liggen, die nu voor deze gasfabriek kolen lag te lossen; tengevolge van de gashouderexplosie was het schip geheel doorzeefd. Toch viel er die morgen nog een aantal bommen in het nabij gelegen havengebied, waarvan wij de uitwerking helaas niet konden nagaan. Des namiddag om ongeveer drie uur werd een succesvolle aanval op de werven gedaan, waarbij onere andere de 'Howaldswerke' en de 'Motorenwerke Hamburg' goed geraakt werden: zoveel werkplaatsen, kantoorgebouwen, als verscheidene daarbij liggende schepen kregen voltreffers. Ook Maandagnacht omstreeks 01:00 uur kwam er weer een aanval, ditmaal middelmatig van omvang. Nieuwe branden en nieuwe puinhopen ontstonden tussen die der voorafgaande dagen. De gehele Dinsdag (27 Juli) werd gekenmerkt door herhaalde luchtalarm- en veiligsognalen, zonder dat er een enkel vliegtuig werd waargenomen. 's Middags bemerkten wij in de stad nog grotere wanordedan tevoren: er was geen electriciteit, geen gas, geen water, geen verkeer, niets was er, slechts puinhopen! De bevolking kon een bepaals quantum melk en eiren per hoofd krijgen, op veel plaatsen stonden auto's met grote gamellen (ketels) met soep, waaruit ieder zoveel kon krijgen als hij maar wilde. Overal zag men grote aanplakbiljetten en borden met: "Wer plündert wird mit dem Tode bestraft. Der Polizeipräsident".
Tot deze Dinsdag was de aanval van Zaterdagnacht de zwaarste van deze oorlog geweest met 2300 ton bommen binnen 50 minuten, zoals wij voor de scheepsradio gehoord hadden. (Zeker 40.000 burger slachtoffers).
Maar Dinsdagnacht van 27 op 28 Juli 1943 overtrof alles. Tussen half één en half drie werden er toen 3000 ton bommen op Hamburg gedeponeerd. Het was als of de hel was losgebroken, vooral ook voor ons, aangezien er dien nacht veel meer bommen op industriële- en havengebieden zijn gevallen dan Zaterdagnacht. Evenals toen was het een vreselijk geweld, maar nu was het huilend geloei der bij honderden tegelijk vallende bommen niet van de lucht en donderde explosies volgden elkaar onmiddellijk op. Grote branden onstonden in der 'Schuppen' en ook in onze nabij gelegen omgeving.
Onder andere brandde even ten Zuiden van Oswaldquaihöft een groot deel van een 'Schuppen' totaal uit; dit bleek een Marine arsenaal te zijn geweest, want de volgende morgen hingen de paravanes daar in het geraamte van het dak. Een eind verder tussen de 'Segelschiffhafen'en Veddel werd een munitieopslagplaats getroffen en nog langetijd na het bombardement hadden daar met korte tussenpozen zware ontploffingen plaats, waarbij grote stukken van muren en daken de lucht ingeslingerd werden. Vanaf de brug zagen wij ontzettende branden in iedere richting, maar de massale vuurhaarden van Veddel en Harburg en daartussen met hun grote rookwolken overtroffen alles wat wij tevoren gezien hadden.
Onze kapitein en enkele anderen zagen de volgende dag (Woensdag) dat ook in de stad nieuwe verwoestingen van kolossale omvang waren aangericht, onder andere was het Hauptbahnhof verdwenen en nieuwe ruïnes waren ontstaan op het Adolf Hitlerplatz, in de Mönckebergstrasse, Steindamm, Alsterdamm, etc, etc.
Reeds in de loop van de dag vertrokken veel schepen uit Hamburg. Ook onze kapitein had besloten zo spoedig mogelijk deze stad der verschrikkingen te verlaten; daartoe had bij reeds onze gehel eigen bemanning aan het werk gezet om onze bunkers te doen lossen, want de krijgsgevangenen waren in het geheel niet meer komen opdagen. Zo werd er de gehele Woensdag aan boord hard gewerkt: matrozen, stokers en tremmers in de bunkers, stuurlieden en machinisten aan de winches.Van 's morgens 8 uur tot 's avonds 8 uur zou men doorwerken. Maar 's avonds om half acht kwam geheel onverwacht order van de Duitse militaire authoriteiten dat wij Hamburg zo spoedig mogelijk moesten verlaten met het oog op een te verwachten zware luchtaanval. Op dat moment deed het gerucht de ronde dat de Duitse Inlichtingen Dienst er achter gekomen was dat er dien Woensdagnacht een aanval met 10.000 geallieerde vliegtuigen op Hamburg gedaan zou worden.
Zo was dus Woensdagavond aan boord geheel onverwachts 'voor-en-achter'. De loswerktuigen van de Westphälische Kohlen AG werden in de lichters geworpen en deze losgegooid, zodat ze in de haven wegdreven. Daarna om goed acht uur voeren wij weg uit de Hansahafen, zonder loods en zonder sleepboten. Verder hadden wij ook geen kok, geen steward en in het geheel geen 'Flak' bemanning aan boord, want deze waren allen om 6 uur de wal opgegaan. De volgende dagen kwamen deze in Brünsbuttel en Holtenau weer aan boord. De 'Gouwe', die Maandagmorgen met kolen uit Delfzijl gekomen was, werd reeds in de namiddag weggestuurd naar Holtenau om daar te lossen. De 'Noordwijk', die Woensdagavond tengevolge van laagwater aan de grond zat, kon niet weg en kreeg order om de volgende dag naar Rotterdam te gaan.
Dan voeren wij dus Woensdagavond voor de laatste maal tussen de overblijfselen door, van wat eens Hamburg was; aan stuurboord niets dan puinhopen en ruïnes tot voorbij Altona, zelfs hier en daar in Blankenese en aan bakboord niets dan gezonken en uitgebranden schepen en kapotte werven. Aan laatstgenoemde zijde vielen vooral op de toegetakelde 'Deutsche Werft' en 'Blohm & Voss', waar een vlak aan de rivier gelegen gecamoufleerde onderzeeboot-helling, waarop een twintigtal U-boten in ver gevorderd stadium van aanbouw stonden, enkele voltrffers had gekregen, zodat het merendeel daarvan kapot was. Vervolgens gingen wij Donderdagmorgen bij Brünsbuttelkoog ten anker, waar wij toen met ruim 30 andere schepen, die allen uit Hamburg gevlucht waren, op orders lagen te wachten. Vrijdagmorgen vertokken wij naar Holtenau, waar wij nieuwe bunkerkolen kregen en Zaterdagmorgen vandaar de Oostzee in naar Lilea.
S. Sjoerdsma




Het Bombardement op Hamburg, ook wel Operation Gomorrha genoemd, was een reeks bombardementen uitgevoerd door de RAF en USAAF tijdens de Tweede Wereldoorlog, tussen 24 juli en 3 augustus 1943, op de Duitse stad Hamburg. De bedoeling van Operatie Gomorrha was om op korte tijd een reeks aanvallen uit te voeren op Hamburg totdat de stad verwoest was. De RAF voerde daartoe vier grote bombardementen uit en de USAAF twee. Er viel ruim negenduizend ton explosieven en brandbommen.
Het eerste bombardement op 24/25 juli was een van de succesvolste RAF bombardementen tot dan toe, maar het is vooral het tweede bombardement op 27/28 juli dat de geschiedenis is ingegaan. Door een combinatie van omstandigheden ontstond tijdens het bombardement voor het eerst een vuurstorm, die tienduizenden slachtoffers maakte en hele wijken volledig verwoestte. Ook de derde RAF aanval veroorzaakte grote branden maar de vierde mislukte door slecht weer. Daarna werden de aanvallen gestopt.
De Amerikanen voerden precisiebombardementen uit op werven en fabrieken, en veroorzaakten in vergelijking heel weinig burgerslachtoffers. De Britten gebruikten een tapijtbombardement-techniek. In het begin van het bombardement werden vooral 'general purpose' bommen afgeworpen die de straten moesten blokkeren met puin of kraters en die de brandweer dwongen om dekking te zoeken. De hoofdmacht wierp vooral luchtmijnen die daken wegrukten en vensters lieten springen, en brandbommen. Door gebruik van bommen met een tijdsontsteking werd het bluswerk bemoeilijkt, daar men niet wist wanneer deze bommen zouden ontploffen.
De Britse reeks aanvallen werd mede mogelijk gemaakt door de introductie van een nieuw middel tegen de Duitse radar : door het afwerpen van 'window' werden de Duitse radars gestoord en viel het grootste deel van hun luchtverdediging uit.
Met naar schatting 45.000 doden staat Hamburg op de eerste plaats in de top-tien van 'doden bij luchtaanvallen'. Het bombardement op Dresden staat, met circa 25.000 doden, tweede. In totaal werden in Hamburg 253.400 van de 450.800 wooneenheden verwoest, meer dan de helft van alle woonruimte van de stad.
De Britten spraken in hun oorlogspropaganda van het "Hamburgiseren" van Duitse steden.
Vanaf begin 1942 was Bomber Command, de strategische bommenwerpers-strijdmacht van de RAF overgegaan op een nieuwe strategie van gebiedsbombardementen. Daarbij werden geen individuele doelen meer aangevallen, maar enkel nog grote doelwitten zoals steden. De bedoeling was het moreel van de Duitsers te breken sinds 1942 waren al enkele successen geboekt tegen kleinere steden zoals Lübeck en Rostock, en meest recent waren veel steden in het industriële Ruhrgebied zwaar gebombardeerd. Reeds op 27 mei 1943 had Arthur Harris het plan opgesteld om Hamburg, de tweede stad van Duitsland aan te vallen. Volgens zijn plan zou er zo'n 10.000 ton bommen nodig zijn om de stad te verwoesten. De aanval zou dus niet in één nacht plaatsvinden, meerdere aanvallen waren nodig en hij voorzag ook de medewerking van de Amerikaanse luchtmacht. De aanvallen zouden voortgezet worden totdat de stad verwoest zou zijn. In juli 1943 achtte Arthur Harris de tijd en de omstandigheden rijp om Hamburg aan te vallen. Hamburg was door zijn ligging aan de kust en met zijn kenmerkende havenbekkens een gemakkelijk te vinden doel voor met radar uitgeruste toestellen. Doordat de Britten bij nacht bombardeerden was een correcte doelmarkering een belangrijke voorwaarde voor een succesvol en geconcentreerd bombardement.
Eerste Brits bombardement op 24/25 juli.
De eerste aanval was oorspronkelijk voor 23 juli voorzien, maar moest uitgesteld worden door slecht weer. Op 24 juli tussen 21:45 en 23:00 stegen 791 toestellen op. Onderweg naar Hamburg maakten de vliegtuigen voor de eerste keer gebruik van 'window' om de Duitse 'Wurzburg'-grondradars te storen. De Duitse nachtjacht verdediging was gebaseerd op deze radars, die nachtjagers naar individuele bommenwerpers kon leiden. Door het wegvallen van deze radars konden de nachtjagers niet ingrijpen. Ook het luchtafweergeschut kreeg geen richtgegevens door van de grondradars en kon alleen een weinig effectief spervuur boven de stad leggen. Slechts drie bommenwerpers gingen boven Hamburg verloren.
Om het doel te markeren voor de hoofdmacht van de bommenwerpers, waren eerst twintig Pathfinder vliegtuigen voorzien die blind konden markeren met hun H2S-radar om 00:57. Zij wierpen gele 'target indicators' af en lichtkogels. Bij het licht van deze lichtkogels konden acht andere Pathfinder vliegtuigen op zicht hun rode doelmarkeringsbommen afwerpen. De doelmarkeringen kwamen niet geconcentreerd neer, maar vielen verspreid over vijf wijken. Om 01:02 begon het bombardement door de hoofdmacht van de bommenwerpers. De hoofdmacht was onderverdeeld in zes golven die tot 01:50 bombardeerden. Gedurende de aanval bleven Pathfinder vliegtuigen het doel markeren met groene doelmarkeringsbommen.
Ondanks de ideale omstandigheden – geen bewolking, praktisch geen wind en een goede doelmarkering – bombardeerden minder dan de helft van de vliegtuigen binnen een straal van drie mijl van het centrum van Hamburg. Vele toestellen bombardeerden te vroeg zodat het zwaartepunt van het bombardement voortdurend naar het noorden, in de richting van de aanvliegroute, opschoof. Maar doordat Hamburg een grote stad was, had dit enkel als resultaat dat naast het centrum, ook de noordwestelijke wijken Altona, Einsbüttel en Hoheluft zwaar getroffen werden. In het centrum van Hamburg werden de Nikolaikirche, het Hamburger Rathaus en Tierpark Hagenbeck zwaar getroffen. Ook de scheepswerf van Blohm&Voss werd getroffen. Op de scheepshelling werden de in aanbouw zijnde U-1101 en U-1102 vernietigd, en de net tewatergelaten U-996 werd aan de kade tot zinken gebracht.
Rond Hamburg waren er ook door de Duitse verdediging rode afleidingsvuren ontstoken die leken op doelmarkeringen, een kleine honderd vliegtuigen werden daardoor afgeleid en bombardeerden verkeerd. In Hamburg brandden ongeveer 87 kilometer straatgevel af en vonden 1500 mensen de dood.
Eerste Amerikaans bombardement op 25 juli.
De Amerikanen besloten mee te werken aan het bommenwerperoffensief tegen Hamburg. Op 25 juni werden hun bommenwerpers naar doelen in en rond Hamburg gestuurd. De Amerikaanse basiseenheid om een daglicht precisiebombardement uit te voeren was een 'Combat Wing' die gewoonlijk 54 toestellen bevatte. Een Combat Wing vormde een optimale formatie ter verdediging van Duitse jachtvliegtuigen. Twee combat wings kregen doelen in Hamburg aangewezen: de Blohm&Voss U-boot scheepswerf en de Klockner vliegtuigmotoren fabriek. Een andere combat wing kreeg de U-boot scheepswerven te Kiel als doel en twee andere combat wings kregen de Focke-Wulf vliegtuigfabriek te Warnemunde als doel.
In de voormiddag werden vele kleinere luchtaanvallen uitgevoerd boven België, Nederland en Frankrijk door lichte bommenwerpers ondersteund door vele jachtvliegtuigen, met als bedoeling de Duitse jachtvliegtuigen naar het zuiden te lokken en de weg vrij te maken voor de zware bommenwerpers die in de namiddag startten. Slechts twee bommenwerpers gingen door Duitse jachtvliegtuigen verloren voor het bereiken van het doel. De Combat wing die Kiel als doel had slaagde er echter niet in om zich te verzamelen in een correcte formatie voor het bereiken van de Duitse kust en maakte rechtsomkeert.
Boven Hamburg hingen nog dichte rookwolken als gevolg van het succesvolle Britse bombardement. Daardoor mislukte de aanval op de Klockner fabriek en konden sommige bommenwerpers niet bombarderen. De Blohm & Voss werf werd getroffen, maar de scheepshellingen waar de U-boten gebouwd werden liep geen schade op. Twee grote schepen die als depot gebruikt werden brandden uit. In tegenstelling met de Britse aanval, kon de Duitse FLAK nu wel gericht schieten en vele toestellen liepen schade op. Tien bommenwerpers die door schade uit de formatie wegvielen werden door Duitse jachtvliegtuigen afgemaakt nog voor ze de Duitse kust konden bereiken. Op de terugvlucht boven de Noordzee werd de formatie nog zonder succes aangevallen door zestien nachtjagers opgestegen vanuit Holland.
Tweede Amerikaans bombardement op 26 juli.
Op 26 juli zetten de Amerikanen hun aanvallen op Noord-Duitsland verder. Weerom werd hun volledige sterkte ontplooid: drie combat wings kregen de Conti-rubber fabrieken bij Hannover als doel, terwijl er telkens een combat wing was voorzien om de doelen van de dag ervoor in Hamburg, opnieuw te bestoken: de Klockner vliegtuigmotoren fabriek en de Blohm & Voss scheepswerf.
De bommenwerpers startten in de ochtend om 09:00 en weerom was een uitgebreid plan opgezet om de Duitse jachtvliegtuigen te misleiden. Aanvallen door lichte bommenwerpers in België en Noord-Frankrijk moesten zoveel mogelijk Duitse jagers naar het Zuiden te lokken. Het vluchtplan boven de Noordzee was zo opgesteld dat de bommenwerpers pas laat richting Duitsland zouden afzwenken, waardoor Duitse jagers waarschijnlijk te vroeg zouden opstijgen en niet veel tijd over hadden om de bommenwerpers te onderscheppen voor ze hun doel bereikten.
Net zoals de vorige dag waren er problemen met het formeren van de verschillende eskaders vliegtuigen in combat wings en een volledig eskader moest omdraaien. De Duitse jagers die de bommenwerpers onderschepten alvorens ze Hamburg bereikten, vielen niet aan, maar wachtten af totdat het Duits luchtafweergeschut in actie kwam, om dan beschadigde toestellen die uit de formatie wegvielen gemakkelijk te kunnen afmaken. Boven Hamburg was de rookontwikkeling door het Britse bombardement van twee dagen eerder fel verminderd, maar nu hadden de Duitsers op tijd een kunstmatig rookgordijn gelegd om de haven te beschermen. De bommenwerpers konden daardoor hun primair doel niet aanvallen, maar ze bombardeerden wel hun uitwijk-doelen in Hamburg : De U-boot Howaldswerke scheepswerf en een elektriciteitscentrale te Neuhof. Op de scheepswerf vielen geen doden en enkel gebouwen werden getroffen. De elektriciteitscentrale werd voor een maand uitgeschakeld, waarmee Hamburg 40% van haar elektriciteitscapaciteit verloor.
De Amerikaanse toestellen vielen in dichte formaties aan, alle toestellen bombardeerden binnen één minuut de doelen. De luchtafweer kon slechts twee toestellen beschadigen. Op de terugweg gingen de twee beschadigde machines verloren, een werd neergeschoten door een nachtjager toen hij uit de formatie wegviel en de andere moest op het water noodlanden vooraleer hij Engeland kon bereiken. De Duitse jagers hadden hun aanvallen geconcentreerd op de Hannover toestellen en daardoor waren de verliezen bij de Hamburg toestellen licht.
Tweede Brits bombardement 27/28 juli: de vuurstorm.
De doelmarkering bij het begin van de raid om 00:57 werd volledig uitgevoerd door vijftien Pathfinders die met de H2S-radar gele doelmarkeringen aanbrachten. Daardoor hadden de valse, uitsluitend rode doelmarkeringen die als afleiding door de Duitsers aangestoken waren geen enkel effect. De Pathfinders misten hun mikpunt met twee mijl, maar de doelmarkeerders vielen geconcentreerd over een gebied ten oosten van het centrum van Hamburg. Ook de hoofdmacht slaagde erin om binnen dit gebied geconcentreerd te bombarderen : meestal schoof de concentratie van bommen mee op in de richting van de aanvliegroute, maar tijdens dit bombardement trad dit fenomeen niet op.
Nog voor het einde van de aanval om 01:45 konden de bemanningen van de bommenwerpers zien hoe de vele individuele branden zich begonnen aaneen te sluiten en er een grote vuurzee ontstond. Door het uitzonderlijk warm en droog weer, de geconcentreerde doelmarkering en bombardement en de afwezigheid van de Duitse brandweer die nog bezig was met de branden van drie dagen geleden in het andere stadsdeel ontstond om 01:20 een vuurstorm. De temperatuur liep op tot 800 °C, het vuur zoog met orkaankracht verse lucht aan. De vuurstorm ontstond in de wijken Hammerbrook en Borgfelde, en breidde zich over drie kilometer verder uit over de wijken Hamm, Wandsbek Süd en Horn. Een gebied van 2 km x 5 km = 10 km² met ongeveer 16000 woonblokken en 215 kilometer straatgevels werd volledig verwoest door de vuurstorm. De vuurstorm bereikte zijn maximale kracht tussen 03:00 en 03:30.
Rond 07.00 uur waren de verschijnselen van de vuurstorm over, maar het zou nog twee dagen duren vooraleer reddingsploegen in de heetste delen van het getroffen gebied konden raken. De mensen die in het vuurstormgebied in hun schuilkelder gebleven waren, kwamen meestal om door koolmonoxide vergiftiging, of verstikten door de rook. Door de grote hitte waren hun bruin verschroeide lijken tot de helft van de lengte gekrompen, ofwel was er nog voor het einde van de vuurstorm verse lucht in de kelder geraakt en waren hun lijken volledig verast. De enige overlevenden waren degene die op tijd uit de brandende gebouwen ontsnapt waren en sterk genoeg waren om tegen de vuurstorm in te lopen op zoek naar een plaats met voldoende lucht. Sommigen bleven steken in het gesmolten asfalt. Vele overlevenden vonden beschutting in een van de kanalen. Ook de mensen die in de grote, sterke publieke bunkers geschuild hadden kwamen er levend van af.
Nadat hun luchtverdediging uitgeschakeld was door de inzet van 'window' zochten de Duitsers naar nieuwe afweer methodes. Nachtjagers kregen toestemming om buiten het strak georganiseerde systeem van de Kammhuberlinie te opereren en zelfstandig op zoek te gaan naar Britse bommenwerpers. Een experiment met het inzetten van eenmotorige dagjagers als nachtjagers door majoor Hajo Herrmann werd versneld op grotere schaal uitgeprobeerd: de dagjagers probeerden bij het licht van de zoeklichten, lichtkogels en branden die bij het doelgebied meestal aanwezig waren, visueel aanvallen uit te voeren op de Britse bommenwerpers. Deze tactiek noemde men 'Wilde Sau'.
Derde Brits bombardement 29/30 juli.
Alhoewel het zicht voldoende was voor visuele markering door de gloed van de nog steeds niet uitgedoofde branden, werd de doelmarkering wederom volgens radarpeilingen uitgevoerd. De Pathfinders misten het mikpunt opnieuw met twee mijl en markeerden ten zuiden van het gebied dat twee dagen geleden verwoest was. De bommenwerpers kwamen vanuit het Noorden aangevlogen en deze keer trad het fenomeen van het opschuiven van de concentratie aan bommen heel prominent op. Daardoor vielen in het begin van de aanval veel bommen zonder resultaat in de ruïnes van reeds verwoeste wijken, maar naargelang het 'terugwijken' van de bommenconcentratie toenam tot 4 mijl, werden de Hamburgse wijken Wandsbek en Barmbek zwaar getroffen en weerom ontstonden grote branden, maar geen vuurstorm. De brandweer en brandbestrijding in de stad waren door de vorige bombardementen uitgevallen en vele kleine branden konden gemakkelijk uitbreiden. In een van de grote publieke schuilkelders vonden 370 mensen de dood door koolstofmonoxide vergiftiging, maar over het totaal aantal doden tijdens deze specifieke raid hebben de Duitsers geen gegevens.
Vierde Brits bombardement 2/3 augustus.
Op weg naar het doel raakten de meeste bommenwerpers verloren in een plots en hevig onweer. Veel vliegtuigen keerden om of bombardeerden alternatieve doelwitten. De Pathfinders konden geen markering uitvoeren boven Hamburg en bommen vielen overal verspreid in de stad. Veel steden in een straal van 100 mijl rond Hamburg rapporteerden bominslagen, Tijdens deze nacht ontwikkelden de Duitsers verdere tactieken om zonder hun radars bommenwerpers te kunnen onderscheppen. Tijdens vorige nachten hadden vluchtleidings officieren individueel inlichtingen doorgegeven aan nachtjagers, nu werd er een 'lopende reportage' uitgezonden waar alle nachtjagers die op 'vrije jacht' werden uitgestuurd naar luisterden. Inlichtingen over koers, positie en snelheid van de bommenwerpers werden uitgezonden en elke nachtjager kon individueel opereren. Deze tactiek zou zich de komende maanden verder ontwikkelen en kreeg de naam 'Zahme Sau'.
Tijdens deze periode werden ook nog stooraanvallen met Mosquito bommenwerpers ondernomen. De schade die deze aanvallen aanrichtten was onbeduidend, het doel was om het luchtalarm te laten afgaan, de bevolking naar de schuilkelders te sturen en ervoor te zorgen dat de brandweer geen rust kreeg. Tijdens de nacht van 25/26 juli en de daarop volgende nacht van 26/27 juli voerden zes mosquitos een stooraanval uit, tijdens de nacht van 28/29 juli vier mosquitos.
Aantal slachtoffers.
Na de bombardementen werden de stoffelijke resten van 42.600 slachtoffers in massagraven begraven. Men schat dat er van 2000 doden geen resten teruggevonden zijn. Ook rond de 800 leden van de strijdkrachten kwamen om en de Wehrmacht alleen al meldde 442 doden en vermisten.
Bron: Wikipedia.
WEGGUM.COM