WOUTER MOLLIS.
Wie is toch die Mollis die door Bok en Annie Vlasman wordt beschouwd als de hoofdschuldige van de fusillade van Vlasman (en Buis)? De Politieke Inlichtingendienst (PID) in Amsterdam geeft antwoord op die vraag in een korte omschrijving van de delicten waarvan Mollis wordt verdacht: ‘Verdachte heeft gedurende de bezetting van ons land door de Duitschers, in dienst van de S.D., diverse personen gearresteerd, ten gevolge waarvan deze menschen in vele gevallen gefusilleerd zijn geworden. Ook heeft hij bij het uitvoeren van represaillemaatregelen door de
Duitschers zijn medewerking verleend door in enkele gevallen op de slachtoffers te schieten, waardoor deze werden gedood. Hij heeft tevens medewerking verleend bij de inbeslagname van diverse wapenen, behorende aan de illegale beweging in Nederland’.
Wouter Cornelis Mollis wordt geboren in Hilversum op 16 augustus 1896. Zijn ouders wonen op de Laarderweg, niet ver van het station. In 1921 wordt hij agent van politie in Amsterdam en trouwt met Johanna Catharina van Broekhoven. Uit het huwelijk wordt één dochter geboren. In 1925 overlijdt zijn echtgenote. Anderhalf jaar later huwt Mollis met Anna Maria Böhme, een Duitse, afkomstig uit het Beierse Lindau. Zij neemt een dochter, Charlotte, mee uit een eerder huwelijk. Samen krijgen ze een zoon en een dochter. Mollis mishandelt zijn vrouw geregeld.
Ze krijgt twee keer een miskraam.185 Voor het einde van de oorlog keert ze terug naar Duitsland.
In september 1932 loopt Mollis lichamelijk letsel op in Blaricum, ‘alwaar hij op de Boissevainweg eenige oogenblikken had halt gehouden teneinde een boterham te gebruiken’. Als hij zijn Hudson-personenauto model 1928 wil starten, vliegt de auto in brand. Mollis probeert het vuur te blussen en raakt ‘vrij ernstig gewond aan beide handen’.
Mollis wordt lid/blokleider van de NSB in 1940 en lid van het aan de NSB verbonden Rechtsfront waarvoor hij maandelijks 35 cent contributie betaalt. Hij sluit zich ook aan bij het politievendel van de weerbaarheidsafdeling van de NSB, die leider Anton Mussert moet beschermen tegen aanvallen van politieke tegenstanders. Van april 1941 tot september 1942 is Mollis werkzaam als rechercheur bij het Bureau Inlichtingendienst/Centrale Recherche in de Nieuwe Doelenstraat. Hij is belast met het opsporen van illegale groepen. Hierna wordt Mollis, als één van de eerste medewerkers van de Inlichtingendienst, overgeplaatst naar de afdeling Recherche van de Sicherheitsdienst (SD) in de Euterpestraat, waar hij blijft tot het einde van de oorlog. Als medewerker van de SD en van het Referat Sonderkommando werkt hij samen met Emile Rühl, Friedrich Christiaan Viebahn en vooral met Maarten Kuiper, net als hij voormalig politieman. Ze vormen een berucht duo en plegen een groot aantal wandaden. ‘Wouter Cornelis Mollis heeft zich met hart en ziel aan den bezetter verkocht’, meldt de verzetskrant ‘Klein maar Dapper.’
Mollis is betrokken bij acties, waarbij minstens vijftien door hem gearresteerde personen worden gefusilleerd. Daaronder ook Victor Alfred van Swieten uit Eemnes en Dionisius (Dio) Remiëns uit Blaricum. Van Swieten wordt op 3 september 1943 bij zijn woning aan de Laarderweg 108 door Mollis en zijn trawanten Dirkx en Walther opgepakt en op 1 oktober 1943, met Remiëns en zeventien anderen, gefusilleerd als represaillemaatregel voor door het verzet gepleegde liquidaties.
In 1944 publiceert de Londense editie van Het Contra Signaal een lijst met namen, adressen en bijzonderheden van lieden die ondergrondse groepen pogen op te sporen en uit te roeien. De bedoeling is duidelijk. ‘Komen op deze lijst de namen voor van verraders die reeds niet meer tot de levenden behooren, wijt dit dan niet aan onnauwkeurigheid onzerzijds, doch dank de goede vaderlanders die hen hebben uitgeschakeld’.
De naam van Mollis wordt ook vermeld, evenals zijn adres: Herculesstraat 105-II in Amsterdam en de toevoeging: ‘Werkt voor Gestapo. Zeer gevaarlijk’. Mollis heeft een speciaal kenmerk, een glazen oog.
Als in de tweede helft van juni en begin juli 1944 in Amsterdam en de regio Almaar verzetsmensen door de SiPo in Amsterdam worden opgepakt, is Mollis daar vaak bij aanwezig. Om deze reden besluit de Raad van Verzet (RVV) hem te liquideren.188 De actie zal worden uitgevoerd door Frederik Johannes Marcus (Freek) Ox en Ferdinand (Ferry) Ploeger, beide communist, van de RVV-groep Noord. Freek Ox, worstelaar en judoka, is eerder betrokken geweest bij sabotageacties, overvallen en liquidaties van informanten van de SiPo.189 Twee leden van
de groep, Jan Gerritze en Simon de Wilde, zullen voor rugdekking zorgen. Het is de bedoeling van Ox en Ploeger om Mollis op zaterdag 15 juli 1944 ’s middags nabij zijn woning op te wachten en dood te schieten. Als Mollis de straat in fietst, is hij niet alleen zoals ze hadden verwacht, maar in gezelschap van Hauptscharführer Ernst Wehner. Mollis heeft het wachtende tweetal in de gaten, verklaart hij later. Ox en Ploeger twijfelen en gaan er dan op hun fiets vandoor, achternagezeten door Mollis en Wehner. Ze halen Ox en Ploeger op de Stadionweg in en houden hen aan. Als ze de arrestanten geboeid per tram willen overbrengen naar de Dienststelle van de SiPo aan de Euterpestraat worden ze beschoten door Simon de Wilde, één van de beschermers van Ox en Ploeger. Ox slaagt erin te ontkomen, maar als de toegesnelde wacht van het SiPo-hoofdkwartier het vuur op hem opent wordt hij dodelijk getroffen. Ook Ploeger ontsnapt, wordt overmeesterd en rukt zich opnieuw los. Na een sprong door een vensterruit raakt hij zwaargewond en voor de derde maal die middag gearresteerd. Bij de SiPo wordt Ploeger zeer ernstig mishandeld. Het is nooit duidelijk geworden of hij in het HvB aan de Weteringschans aan zijn verwondingen bezwijkt of de volgende dag, liggend op een brancard, met veertien anderen in het duingebied bij Overveen is gefusilleerd.
Kennelijk wordt de grond te heet onder de voeten van Mollis en ruim twee weken later, op 2 augustus 1944, verhuist hij naar de Rubensstraat 18-boven. Tot de inventaris behoren onder andere vijf Perzische tapijten, twee grote schilderijen, twaalf stoelen, diverse tafels, drie crapauds, twee fauteuils, twee theeserviezen, een ontbijtservies, een eetservies en kristal glaswerk. Niet valt uit te sluiten dat sommige spullen uit Joods bezit afkomstig zijn. De door Mollis te betrekken woning ligt schuin tegenover het hoofdkwartier van de SiPo. Vier deuren naast zijn nieuw onderkomen is Mollis bijna vijf weken eerder, op 30 juni 1944, betrokken geweest bij een actie van de SD. Op nummer 26 wordt de verzetsman Gerhard Badrian door een verraadster in de val gelokt. Hij ziet nog kans de woning te verlaten, maar op de stoep wordt hij dodelijk geraakt.
Op 9 februari 1945 maakt Mollis voor de eerste keer deel uit van een executiepeloton. Er zijn niet voldoende leden van de Wachzüge beschikbaar om in Zaandam de fusillade van tien verzetslieden uit te voeren. Het is een represaille voor de liquidatie van een politieman door leden van het Zaans verzet. Mollis wordt door Lages aangewezen hieraan deel te nemen. Naast hem in de rij staat Runge. Naderhand probeert Mollis duidelijk te maken dat hij niet heeft geschoten, maar de Nederlander B.M.(Bob) Swagers, die deel uitmaakt van het executiepeloton, verklaart dat hij heeft gezien dat Mollis wel schoot terwijl hij met zijn stengun heen en weer ging.
Dat Mollis met raad en/of daad zou hebben meegewerkt aan de fusillade van Buis en Vlasman blijkt niet uit de geraadpleegde processen-verbaal. Mollis maakte weliswaar deel uit van het SD-onderzoekscommando in Laren, maar uit de verklaringen van Ehlscheid en van hemzelf kan worden opgemaakt dat hij geen invloed heeft gehad op de beslissing om tot executie over te gaan en is hij niet daadwerkelijk bij de uitvoering ervan betrokken geweest.
‘Als Duitsland de oorlog verliest dan pleeg ik zelfmoord’, zei Mollis altijd. Maar op 6 mei 1945, als de Canadese generaal Foulkes en zijn Duitse collega Blaskowitz in Wageningen de overgave van de Duitse strijdkrachten in Nederland ondertekenen, probeert Mollis zijn leven in veiligheid te stellen. In Amsterdam sluipt hij tussen de feestvierende bevolking door naar het huis van zijn stiefdochter Charlotte en haar echtgenoot Johan Wouters aan de Herengracht. Mollis rekent erop dat hij door de recherche wordt gezocht en vraagt of hij zich bij hen mag schuilhouden. Dat komt eigenlijk niet goed uit want Charlotte en haar man staan op het punt te verhuizen. Het is in de buurt waar ze wonen bekend geworden dat Wouters zich heeft verrijkt door eigendommen van weggevoerde Joden te verhandelen. Wouters durft echter geen ‘nee’ te zeggen. Hij kent de woedeaanvallen van Mollis als die zijn zin niet krijgt. Daarop wordt de gevreesde SD-man van Referat IV A van de Sicherheitspolizei, verstopt in een dressoir, overgebracht naar de nieuwe woning van Wouters, Schubertstraat 28. Mollis blijft er niet lang. Enkele dagen later duikt hij onder bij de moeder van een vriendin. Waar Mollis voor vreest, wordt op maandag 18 juni 1945 om 13.30 uur bewaarheid. Als hij zich bevindt op het adres Oudezijds Voorburgwal 223 in Amsterdam wordt hij aangehouden door rechercheur A.J.G. Lemmers van de POD in Amsterdam en in bewaring gesteld in het HvB1 te Amsterdam. Tijdens het proces van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam eind juni 1947 laat Mollis niet veel los over de redenen voor zijn wrede en moordzuchtig optreden. Alleen: ‘Wij kregen onze opdrachten en moesten die uitvoeren’ en ‘er waren altijd Duitsers bij die de leiding hadden’. In zijn requisitoir spreekt mr. Janssen, procureur-fiscaal, zijn afschuw over de verdachte uit. ‘Wij hebben voor dit Hof de laatste maanden vele S.D.-lieden zien verschijnen en allen hebben de Nederlandse zaak zeer veel kwaad gedaan, doch deze verdachte slaat op dit punt alle anderen met stukken.196 Verzachtende omstandigheden kan ik niet ontdekken. Dit is geen mens meer’, besluit mr. Janssen.
Als hij de doodstraf eist, klinkt applaus op van de publieke tribune. Bij sententie (vonnis) van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam op 12 juli 1947 wordt Mollis veroordeeld tot de doodstraf. Zijn advocaat mr. Tjarko de Vrieze gaat zes dagen later in cassatie. Tevergeefs. Op 22 maart 1948 verwerpt de Bijzondere Raad van Cassatie het ingestelde cassatieberoep. In de vroege ochtend van vrijdag 4 februari 1949 wordt het doodvonnis van Mollis voltrokken door een vuurpeloton van de marechaussee in Fort Bijlmer, in de gemeente Weesperkarspel, niet ver van de plek waar later de Ajax Arena is verrezen. Behalve Mollis zijn in Fort Bijlmer nog vijf ter dood veroordeelden, waaronder Mollis’ collega Maarten Kuiper, geëxecuteerd. Ze zijn begraven in een gemeenschappelijk graf op de Noorderbegraafplaats in Amsterdam.
Bron: https://historischekringeemnes.nl/



Charlotte Katharina Böhme.
Geboren 15-01-1921 te Lindau, Duitsland.
Beroep: kantoor bediende
Vader: -
Moeder: Anna Maria Böhme, geboren 04-05-1902 te Lindau, Duitsland
Echtgenoot: Johan Bastiaan Wouters, geboren 15-01-1917 te Amsterdam.
Huwelijk voltrokken op 10-06-1942 te Amsterdam.
Scheiding: 10-10-1962 te Amsterdam.
Adressen.
Lindau, Duitsland.
28-09-1937, Baffanstraat 26II, Amsterdam.
18-07-1939, Herculesstraat 105II, Amsterdam.
19-06-1942, Baarsstraat 8II, Amsterdam.
27-07-1942, persoonsbewijs nr. 416916.
15-02-1943, Kramenstraat 20II, Amsterdam.
27-07-1945, Schubertstraat 28HS, Amsterdam.
19-10-1951, Churchilllaan 192I, Amsterdam.
07-05-1958, Churchilllaan 190III, Amsterdam.
31-07-1963, Uiterweg 27, Aalsmeer.
WEGGUM.COM